Hoe ongelijkheid kan ontstaan: het Mattheuseffect van sport tot kinderopvang

Recent mocht ik de loterij van mijn geboorte weer eens vieren en dat deed mij er aan denken dat niet alleen de plaats waar je wordt geboren een impact heeft op je latere levenskansen, maar ook je geboortedatum zelf. In veel competitiesporten heeft de maand waarin je wordt geboren een impact op je kansen om de top te bereiken, ongeacht je talent of je inspanning. Dat heet het relatieve leeftijdseffect; niet louter een aardig wist-je-datje maar vooral een illustratie dat sport helemaal niet zo’n meritocratisch karakter heeft als vaak wordt aangenomen. Daaruit vallen niet alleen lessen te trekken voor de organisatie van heel wat competitiesporten, maar ook voor de organisatie van de samenleving in het algemeen.

IJshockey

Laat ons het voorbeeld van ijshockey van naderbij bekijken. Geboren worden met het talent voor deze sport is een kwestie van geluk (als men een ijshockeyspeler wil worden, uiteraard). Maar er is meer aan de hand. In de jaren 1980 deed de Canadese psycholoog Roger Barnsley een verrassende ontdekking: een overgrote meerderheid van de professionele hockeyspelers bleek geboren te zijn in de eerste maanden van het jaar. Figuur 1 toont hoe spelers die geboren werden in de eerste drie maanden van het jaar oververtegenwoordigd waren in de topteams van elke competitie die in de analyse was opgenomen (de blauwe balkjes), een oververtegenwoordiging die niet verwacht kon worden op basis van de verdeling van de geboortemaanden van de jongeren die instroomden in deze sport.

Bron: Barnsley RH, Thompson AH (1988). Birthdate and success in minor hockey: The key to the N.H.L. Canadian Journal of Behavioral Science 20, 167-176

Er lijkt op het eerste zicht geen zinnige reden waarom iemands geboortemaand een rol zou spelen in het bereiken van de top in het ijshockey. Hoe kan dit relatieve leeftijdseffect dan verklaard worden? Het heeft te maken met de organisatie van de sport, en meer bepaald met de organisatie van de jeugdreeksen. In de jeugdreeksen van het Canadese ijshockey worden kinderen gegroepeerd volgens competitiejaren (tussen 1 januari en 31 december). Dit betekent dat kinderen in ‘dezelfde’ leeftijdsgroep geboren kunnen zijn in januari, maar evengoed in december. Het gevolg is dat kinderen in dezelfde reeks bijna een jaar kunnen verschillen. Op die leeftijd speelt dat een erg grote rol: de oudere spelers zijn vaak groter en sterker dan hun jongere teamgenoten, en blinken dan ook vaker uit. Net omdat ze vaker uitblinken, hebben ze meer kans om opgemerkt te worden door scouts van betere teams waar ze betere begeleiding krijgen op een hogere niveau. De kloof met hun jongere teamgenoten wordt dan als vanzelf groter en groter. Dat kan moeilijk fair worden genoemd en staat haaks op de idee dat sport de ultieme meritocratie is, zoals Hans Vandeweghe onlangs nog beweerde. Een gelijkaardige fenomeen werd geobserveerd in heel wat andere competitiesporten (het Belgische voetbal incluis): “a growing body of research suggests that RAEs (relatieve leeftijdseffecten, nvdr.) are a pervasive phenomenon in competitive sport.”

Mattheuseffect

Het relatieve leeftijdseffect is een schoolvoorbeeld van een Mattheuseffect, genoemd naar een passus uit het evangelie van Mattheus (13,12): “Want aan ieder die heeft, zal gegeven worden en wel overvloedig. Maar aan degene die niet heeft, zal zelfs nog ontnomen worden wat hij heeft.” In de volksmond wordt dat: de rijken worden rijker, terwijl de armen arm blijven of zelfs verarmen, maar eigenlijk gaat het om een initiële voorsprong die als vanzelf leidt tot meer voorsprong (waarbij de voorsprong in kwestie niet louter monetair hoeft te zijn).

In een klassiek geworden essay uit 1936 wees de socioloog Robert Merton er op dat onbedoelde gevolgen inherent deel uitmaken van bewuste beleidsbeslissingen, en hij riep op om dit fenomeen systematisch en objectief te bestuderen om de werkelijke gevolgen van (beleids)beslissingen beter te begrijpen. Zo bekeken is het Mattheuseffect een onbedoeld gevolg van bewuste beleidsbeslissingen waardoor bestaande ongelijkheden worden versterkt. Het is uiteraard nooit de bedoeling geweest van de organisatie van jeugdreeksen in verschillende sporttakken om kinderen die vroeg in het jaar worden geboren te bevoordelen, maar het is wel een onbedoeld neveneffect van een bewuste beleidskeuze. Het toeval geboren te worden in het voorjaar geeft hen door de organisatie van de jeugdreeksen een initiële voorsprong, en die voorsprong leidt als vanzelf tot nog meer voorsprong. Beginnen met een achterstand werkt evenzeer cumulatief: wie niet het geluk had om geboren te worden in het voorjaar, kent een initiële achterstand die leidt tot meer achterstand en ziet de kloof groter worden, ongeacht het aanwezige talent.

Het Mattheuseffect vinden we ook terug in de uitkomsten van het sociaal beleid waar dezelfde dynamiek speelt. Het voorbeeld van kinderopvang vandaag is sprekend. Overheden investeren in kinderopvang met een dubbele doelstelling: het mogelijk maken van betaald werk voor de ouders en het verbreden van het opvoedingsmilieu van de kinderen. Men doet dat omdat kinderopvang van hoge kwaliteit goed is voor de ontwikkeling van alle kinderen (het is bijvoorbeeld goed voor hun schoolse vaardigheden), en al zeker voor kinderen die moeten opgroeien in armoede. Bovendien zijn arme gezinnen vaak niet aan het werk, en hebben zij dus ook op dat vlak het meest baat bij maatregelen die betaald werk mogelijk maken. Als we echter observeren dat kinderopvang voornamelijk gebruikt wordt door kinderen die opgroeien in hogere inkomensgezinnen, die al een initiële voorsprong hebben, dan zal de overheidsinvestering in kinderopvang de ongelijkheid doen toenemen in plaats van doen afnemen; het omgekeerde van wat wordt beoogd. Het Mattheuseffect is ook hier een onbedoeld neveneffect van een bewuste beleidsbeslissing die de ongelijkheid dreigt te vergroten.

En vandaag?

Toch hoeft de vaststelling van Barnsley ons niet tot wanhoop te drijven. Het Mattheuseffect is in dit geval immers geen ijzeren natuurwet, maar een gevolg van de organisatie van de jeugdreeksen in het ijshockey. Door die organisatie te veranderen, en kinderen op een andere manier te groeperen, kan dit mechanisme van cumulatief voordeel geremedieerd worden (zie hier en hier voor mogelijke oplossingen). Er blijkt echter een kloof gapen tussen weten en handelen: het Mattheuseffect blijft tot op de dag van vandaag in heel wat competitiesporten bestaan. Ter illustratie toont figuur 2 de verdeling van de voetballers die deelnamen aan het WK 2014 naar geboortemaand. We zien hetzelfde fenomeen: voetballers geboren in de eerste maanden zijn relatief oververtegenwoordigd, voetballers geboren in de latere maanden van het jaar zijn ondervertegenwoordigd.

Bron: Statwing via Bleacher Report

Het relatieve leeftijdseffect ontbloot mijns inziens een niet onbelangrijke sociologische realiteit: ongelijkheid kan ontstaan door de organisatie van de samenleving, en zo een zelfversterkend dynamiek vertonen die niet direct zichtbaar is maar nog moeilijk te stoppen valt. Ongelijkheid in kinderopvang kan zich doorzetten in het leerplichtonderwijs, en zo in het hoger onderwijs en in het latere beroepsleven. Zelfs sport, een domein van de samenleving dat bij uitstek meritocratisch zou moeten zijn, is onderhevig aan deze processen die weinig met verdienste te maken hebben.

Het is echter ongelijkheid van het vermijdbare soort, en naar de effecten van beleidsmaatregelen kijken door de bril van Mattheus (‘Wie wordt er beter van? Zijn er onbedoelde neveneffecten? Hoe ontstaan die?’) kan tot lering strekken. Voor kinderopvang kunnen we bijvoorbeeld leren van de Zweedse ervaring. Meer algemeen betekent het relatieve leeftijdseffect – en dus het Mattheuseffect – dat formele gelijke kansen een onvoldoende voorwaarde zijn voor een faire samenleving. Als we het creëren van reële gelijke kansen waarlijk serieus nemen moeten we veel meer oog moeten hebben voor de minder zichtbare processen die de ongelijkheid versterken.

3 thoughts on “Hoe ongelijkheid kan ontstaan: het Mattheuseffect van sport tot kinderopvang”

  1. Dag Wim,

    Bijzonder interessant stuk (en een stevige start van de blog moet ik zeggen – keep up the good work), wat me meteen aan het denken zette. Ik zou denken dat dit effect bij ploegsporten veel sterker is dan bij minder meerdimensionale sporten zoals tennis, zwemmen of atletiek.

    In elk geval is, interessant genoeg, het effect afwezig voor de top 100 en top 200 van het mannentennis, maar begint dit vanaf de top 300 wel te spelen, en wordt het heel sterk voor de top 1000 en vooral de top 2000. Straf vind ik dat, maar veel inhoudelijks heb ik verder niet toe te voegen. Merci voor de eye-opener 🙂

    Groetjes
    Jord

    1. Dag Jord, bedankt voor het mooie compliment. Mijn inschatting is dat het inderdaad vooral voorkomt bij ploegsporten, of beter: bij competitiesporten waar met een cut-off datum wordt gewerkt om jeugdreeksen in te delen. Je voorbeeld van het tennis toont echter dat het probleem ruimer is dan de loutere groepering naar leeftijd (zelfs in het zwemmen blijkt het RLE voor te komen). Ook in andere domeinen van de samenleving vinden we dergelijke leeftijdseffecten overigens terug: in het bijzonder onderwijs, bijvoorbeeld, waar we een sterke oververtegenwoordiging vinden van kinderen die geboren zijn in de laatste twee maanden van het jaar (http://www.eduratio.be/bodetail.html). Of bij test scores in het onderwijs.

      Het zou in elk geval iets moeten zijn waar we ons op zijn minst van bewust zijn (niet alleen in de sport, maar in de samenleving) om dan na te denken hoe dit geremedieerd kan worden. Een Twitter-gesprek leerde mij gisteren dat men zich in de Vlaamse atletiekliga van het probleem bewust is, en bijvoorbeeld niet alleen de beste atleten van een bepaald jaar gaat selecteren maar ook de beste atleten die uitblinken in vergelijking met hetzelfde geboortekwartaal van het jaar ervoor. Ik heb er wel nog geen zich op of dit ook enig effect ressorteert op de uiteindelijk doorstroming naar de top van deze atleten. Misschien iets voor een volgende blogpost, waarin ook de vraag of het effect eigenlijk minder sterk is geworden over tijd kan worden behandeld.

    2. Dit komt helemaal uit een boek ‘Outliers’ van Malcom Gladwell. (Een boek van 2008)

      Hij gebruikt ook ijshockey als voorbeeld.

      Deze blog ruikt enorm naar kopie van zijn werk, tot verwijzingen naar studies en auteurs toe.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *