Kunnen consumenten de wereld redden? Van Augustinus en Adam Smith tot Poetinperen

“Verander de wereld, begin met jezelf” klonk de oerspreuk van de Bond Zonder Naam, maar welk geloof hechten we daar vandaag nog aan? Kunnen we met ons allen, door bijvoorbeeld anders te consumeren, een ethischer wereld tot stand brengen? Enerzijds lijkt het geloof daarin terug van weg geweest. Begin augustus stelde minister van economie Johan Vande Lanotte bijvoorbeeld voor om een speciaal label in te voeren voor goederen afkomstig uit de door Israël bezette gebieden. Dergelijke – vrijwillige – labels bestaan reeds langer in Denemarken en het Verenigd Koninkrijk, en hebben de bedoeling om de consument ‘te informeren.’ De kans te geven om bewust te consumeren dus. Prompt maakte Colruyt bekend reeds meer dan een jaar geen voedingsproducten uit de bezette gebieden te verkopen.

Een al even frappant voorbeeld van consumptie met een expliciet politiek doel volgde nauwelijks een week later, toen Vladimir Poetin besliste om de import van enkele landbouwproducten uit de VS en de Europese Unie in Rusland te verbieden. Daarmee reageerde hij op eerdere Westerse sancties die voornamelijk de energie- en financiële sector van Rusland viseerden. Het resultaat van de Russische boycot zorgde meteen voor een ware peren-hype in België, uit steun voor de getroffen sector. Deze aandacht miste bovendien haar doel niet, vermits ze zowaar tot een verdubbeling van de perenverkoop in ons land leidde. Een goede gelegenheid, vond de partij Groen!, om consumenten eraan te herinneren dat het niet alleen nu, maar “steeds een goed idee is om boeren uit je regio te steunen.”

Van mercantilisme naar vrije markt

Het ontraden van Israëlische sperziebonen, het verbieden van Westers varkensvlees en zuivel in Rusland, en het aanbevelen van Belgische peren om de boycot te ontmijnen: het zijn alle vrijwillige of opgelegde inperkingen van de individuele keuzevrijheid op het vlak van consumptie, met het oog op een specifiek politiek of ethisch doel. In zeker opzicht is dat niet zo gek verschillend van het economisch beleid zoals dat voor de ontwikkeling van het ‘vrije markt’-denken aan het einde van de 18de eeuw bestond. In dat ‘mercantilisme’, dat in heel wat verschillende gedaanten in Europa werd toegepast tussen de 16de en 18de eeuw, bestond de betrachting er in de eerste plaats uit om zo weinig mogelijk in te voeren, en zoveel mogelijk te exporteren. Dat was, zo meenden de voornaamste economen avant-la-lettre, de beste manier voor een natie om haar aandeel in ’s werelds rijkdommen te vergroten.

Daartoe werd de namaak van voorheen ingevoerde producten aangemoedigd, maar even vaak werd de consumptie van populaire importproducten eenvoudigweg verboden – zoals in het geval van zijde of katoen afkomstig uit Indië en China gedurende grote delen van 17de en 18de eeuw. Het is pas vanaf de Verlichting dat denkers als Adam Smith, James Steuart, of Charles Montesquieu zich tegen dit overheidsingrijpen in de economie zouden gaan verzetten. Zij waren er immers van overtuigd dat het omarmen van de vrije markt en het ongebreideld nastreven van economische groei als vanzelf zouden leiden tot een meer stabiele, harmonieuze, en vredevolle wereld. Het ingrijpen van de overheid zou daarin enkel contraproductief kunnen werken.

De rol van de overheid 

Opmerkelijk aan de perenboycot en het Gaza-label is nu net de mate waarin initiatief hoofdzakelijk van hogerhand lijkt te komen. Zeker, er was in het verleden wel eens protest tegen producten uit de bezette gebieden in de winkelrekken van Colruyt, en de selfies met peren van de afgelopen dagen waren grotendeels een spontane actie op sociale media. Niettemin is het opvallend dat voor het effectief bereiken van een ethisch of politiek consumentengedrag in de eerste plaats naar de overheid, en niet naar de consument gekeken wordt. Russische consumenten lieten de Nederlandse kaas en Belgische peer blijkbaar niet spontaan links liggen, en de Vlaamse consument heeft nood aan een duidelijk label alvorens politiek bewuster te gaan winkelen – en dan nog.

Een gelijkaardig scenario zagen we de voorbije jaren ook op de energiemarkt, waar het duurde tot wanneer de overheid actief het vergelijken van energieprijzen ging promoten, vooraleer honderdduizenden klanten Electrabel verlieten en bij de concurrentie voordeliger formules aangrepen. Het marktaandeel van Electrabel daalde sinds 2011 van ongeveer 70% naar nauwelijks 40 à 45%. “De consument grijpt de macht” stelde minister Freya Van den Bossche toen, maar wel slechts nadat de overheid actief had ingegrepen om het monopolie van Electrabel zo veel mogelijk te doorbreken.

De amorele consument

Wanneer we een ethischer economisch handelen willen, verwachten we als consument blijkbaar in de eerste plaats externe dwang. Het langzame en bescheiden succes van Fair Trade en Bio-labels bereikt weliswaar een beperkte groep consumenten, maar in ieder geval niet het volledige aantal mensen dat zich althans in theorie achter een ethischer en ecologischer wereld schaart. En dan zwijgen we nog over de velen die het moeilijk hebben met de sociale wantoestanden in bedrijven als Amazon of Zalando, of de ecologische voetafdruk van RyanAir, maar er wel niettemin gretig gebruik van maken. En over de ethische aspecten van in Bangladesh gemaakte kleding of in China gemaakte iPhones liggen we blijkbaar ook niet dagelijks wakker. Dragen we als individu dan geen morele verantwoordelijkheid voor de gevolgen van ons consumptiegedrag?

Dergelijk gebrek aan vertrouwen in de kracht van individuele consumenten om zonder externe dwang van de overheid het algemeen goed – zij het een nationaal politiek doel, een duurzame ecologie, of een rechtvaardige economie – na te streven, zou beslist een grote teleurstelling geweest zijn voor de vroege economen van de Verlichting. Voor hen was het immers vanzelfsprekend dat als men de consument vrij zou laten, het algemeen en het individueel belang ten lange leste als vanzelf zouden gaan samen vallen. Achttiende-eeuwse denkers als Adam Smith of David Hume argumenteerden immers dat de vrije markt niet zomaar méér consumptie en economische groei mee zou brengen, maar vooral dat dit het algemeen belang en een hoger moreel goed zou dienen. 1

Luxe: van zonde tot deugd

De Verlichtingsdenkers gingen met hun positieve appreciatie van consumptievrijheid vooral in tegen de negatieve veroordelingen van luxe die de samenleving voorheen domineerden. Het Christendom veroordeelde immers sinds Augustinus (4de eeuw n.Chr.) elke fixatie op het materiële ten koste van het spirituele. Dergelijk wereldbeeld maakte van een ongeremde hang naar consumptie al snel een zonde. Vanaf de 18de eeuw kwam daar dus verandering in, en werd die negatieve moralisering van consumptie omgezet naar een positieve. Als ieder ongebreideld kon nastreven wat hij zelf als individu wenste, zou op die manier ook het algemene nut het best gediend worden, dachten onder andere Smith en Hume. Vrij consumeren werd zo dus niet alleen geen individuele zonde meer, maar zelfs een publieke deugd.

Die wensdromen over de politieke en morele macht van de consument om tot een betere wereld te komen, lijken twee eeuwen later alvast niet meer gedeeld te worden door de consument zelf. Die wast graag zijn handen in onschuld, en kijkt afwachtend naar de overheid voor een gebod, verbod, of etiketje. In de perceptie van velen staat ons dagelijks consumptiegedrag verder van moraliteit dan ooit te voren. Wie werkelijk wil geloven in de kracht van de vrije markt om een betere wereld te scheppen, zoals de 18de-eeuwse grondleggers van de economie dat deden, zal consumptie opnieuw moeten moraliseren. Eén peer maakt de lente niet.

Notes:

  1. Niet iedereen heeft dat geloof in de transformerende macht van de consument opgegeven. De antropoloog Daniel Miller vatte dat geloof bijvoorbeeld treffend samen door huisvrouwen in het rijke Westen te omschrijven als “the Dictators of the World.” Miller meent dat het de rijke, Westerse consumenten zijn (met de huisvrouw als uithangbord) die de ware machthebbers in de wereld zijn – niet politici, bedrijfsleiders, of zij die schimmige achterkamers frequenteren.

2 thoughts on “Kunnen consumenten de wereld redden? Van Augustinus en Adam Smith tot Poetinperen”

  1. De kernvraag is wellicht óf de consument wel een betere wereld wil, en zo ja wat hij bereid is ervoor te doen-welke offers hij bereid is te brengen.

    Mogelijk is er een parallel met typische behavioural economics situaties zoals het beperken van “ongezonde” voeding, geregelde lichaamsoefening, het afstaan van organen bij overlijden, of voldoende sparen voor je pensioen. In dat geval zou het moeten volstaan een gepaste nudge te ontwerpen om de consument te helpen die keuzes te maken die hij eigenlijk wel wil maken, maar er niet toe komt.

    De observatie dat een meer hardhandige aanpak, zoals die hier wordt beschreven, nodig schijnt te zijn suggereert dat de consument maar weinig begaan is met de thema’s in kwestie. En dan kan men zich afvragen of dat interveniërende paternalisme van de overheid wenselijk is.

  2. Interessant stuk al ontbreekt de punch op het einde (vind ik).

    Zelf, en deels in reactie op de vorige post, vind ik dat de overheid vooral een grote verantwoordelijkheid heeft in het aanpakken van marktfalen (monopolievorming) en het onvoldoende inprijzen van externe kosten (ecologisch, maar ook sociaal). Dit zou heel de prijszetting en de evenwichten tussen fairtrade/duurzame producenten en de ‘slechte’ producenten grondig bijstellen.

    Maar ja, wie is er in onze verwende wereld bereid vliegtuigtickets of benzine in prijs te zien vertienvoudigen, voor kledij 3-4 keer meer te betalen, etc? In elk geval heb je absoluut gelijk dat de wereld verbeteren bij elk van ons begint. Nooit beter geïnformeerd, nooit meer keuzemogelijkheden en -vrijheid, nooit minder duurzaam geleefd. Helaas kiezen we ook de leiders die we verdienen zeker, namelijk niet degenen die er echt iets aan doen.

Laat een reactie achter op Jord Hanus Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *