Utopisch denken in post-ideologische tijden

Historicus Rutger Bregman heeft zich op korte tijd een prominente positie verworven als opiniemaker in Vlaanderen en Nederland. Hij is (veelgelezen) verslaggever bij de Correspondent en auteur van het vorig jaar verschenen De Geschiedenis van de Vooruitgang (bekroond tot Liberales-boek 2013). Recent gaat hij vooral op zoek naar grote ideeën die de klassieke links-rechtstegenstellingen overstijgen, een betrachting die hij met andere (al dan niet zelfverklaarde) ‘post-ideologische’ denkers – zoals Frank van Massenhove – deelt. Vorige maand verscheen Bregmans nieuwste boek, “Gratis geld voor iedereen. En nog vijf grote ideeën die de wereld kunnen veranderen”, en sinds vorige week valt ook zijn TEDx-praatje waarin hij één van de hoofdstukken van het boek uit de doeken doet online te vinden.

Het succes van Bregmans pleidooi voor een ‘universeel basisinkomen’ en ‘gratis geld voor iedereen’ (de TEDx-talk werd reeds meer dan 37.000 keer bekeken, om maar iets te zeggen) is opvallend in deze tijden. Of toch niet helemaal? Op vraag van Sampol  1 las ik “Gratis geld voor iedereen”, en bleef daarbij enigszins met gemengde gevoelens achter.  Het boek is een bundeling van zes ideeën die volgens Bregman kunnen fungeren als nieuwe utopieën voor links en rechts. Bregmans uitgangspunt is immers dat we het vandaag beter hebben dan ooit te voren – we leven letterlijk in luilekkerland – en daardoor hebben we, zoals Fukuyama reeds drie decennia geleden verkondigde, het einde van ideologie en vooruitgang bereikt. En dat is spijtig, vindt Bregman. Want ook al is de 21ste eeuw een luilekkerland, als we willen blijven vooruitgaan, zullen we nieuwe utopieën nodig hebben om ons tot verdere progressie te brengen. De ideeën die in de verschillende hoofdstukken uiteen gezet worden (zelf noemt Bregman ze utopieën) kunnen daar, volgens hem, toe dienen.

Als het op de kracht van ideeën aankomt, behoort Bregman duidelijk tot de TED-generatie: het naïeve (maar niet onschuldige) geloof dat ideeën een autonome kracht van verandering vormen, belijdt hij zonder schroom. Dat geldt niet alleen voor het geloof in de mogelijkheden die Bregmans voorgestelde utopieën bieden, maar evenzeer voor zijn interpretatie van het verleden. Voor een kijk op historische verandering die meer fundamentele factoren zoals machtsrelaties of sociaal-economische structuren, aan bod laat komen, moet je niet bij Bregman zijn. Ook wie de geschiedenis niet ziet als een lineair verhaal van vooruitgang met het heden als onvermijdelijke uitkomst, zal wellicht meermaals grote ogen trekken bij het uitgangspunt van “Gratis geld voor iedereen.”

De essentie van het boek bestaat echter uit de utopische ideeën die Bregman zelf voor te stellen heeft. Concreet gaat het om het basisinkomen, een werkweek van 15 uur, het uitroeien van armoede door het geven van geld, het zoeken van een alternatieve maatstaf voor economische groei, en een wereld met ‘open grenzen’ voor migratie. Heel wat van die ideeën zijn interessant en het overdenken waard. Hier op de Toren had Bert De Munck het onlangs nog over de nood aan het herdenken van de relatie tussen arbeid en gemeenschap, en het onvermogen van zowel politiek als vakbonden om dat te doen. Het is de grote verdienste van Bregman dat hij wel stappen die daartoe kunnen leiden (zoals het basisinkomen of de kortere werkweek) tracht uit te werken. Hij steunt daarbij op een handvol bestsellers uit de recente pop-science van de sociale wetenschappen – onder andere Wilkinson & Pickett (The Spirit Level), Duflo & Banerjee (Poor Economics), Mullainathan & Shafir (Scarcity), en Gregory Clark (A Farewell to Alms) passeren meermaals de revue – maar hij vult ze tevens aan met de grote klassiekers uit de sociale wetenschappen.

Maar welke visie schuilt nu precies achter Bregmans branie, schrijfkunst, en utopische ijver? Zelf drukt de auteur ons op het hart het woord utopie niet al te revolutionair te interpreteren, en zeker niet in het genre van de “afschuwelijke utopieën uit het verleden (fascisme, communisme, nazisme).” Neen, voor Bregman is een utopie niet meer dan “het geloof in vooruitgang.” Waar al dat vooruit marcheren precies heen moet – en wie daarbij voorop mag lopen – blijft doorheen het boek onbeantwoord. Het is een vreemde vaststelling voor een boek dat de utopie hoog in het vaandel draagt, maar het eindpunt van Bregmans vooruitgang wordt nergens gespecificeerd. Ook naar de vraag “Cui bono?” (“wie vaart er wel bij?”) is het lang zoeken. Het duurt tot halverwege het boek (p. 102) vooraleer Eldar Shafir er (in een interview met Bregman) op wijst dat “gratis geld voor iedereen” niet volstaat – immers: “het gaat ook om de verdeling.” Armoede is niet alleen – of zelfs in de eerste plaats – een gebrek aan geld, maar een gevolg van een ongelijke verdeling van economische middelen, politieke macht, en sociale posities. Zonder op die cruciale bekommernis een repliek te formuleren, concludeert Bregman amper twee pagina’s verder alweer dat armoede niets meer is dan “een fundamenteel geldgebrek.” 

In de inleiding van zijn boek zet Bregman zich scherp af tegen het inspiratieloze gemorrel in de marge dat onze post-ideologische politiek zonder utopieën vandaag karakteriseert. Maar hoeveel verder komen zijn eigen ideeën? Het is opvallend dat Bregmans utopieën ondersteund worden door een politieke logica die perfect in het hedendaagse politieke denkkader past, zoals dat binnen de lijnen van het neoklassieke economisch model wordt uitgezet. Zo is het basisinkomen het nastreven waard omdat het een einde zal brengen aan de “overheidsbetutteling”, en een financiële besparing vormt ten opzichte van de complexe sociale welvaartsstaat van vandaag (en een publieke subsidiëring van lage-lonen-arbeid, volgens critici, maar daarover geen woord in dit boek). Ook het invoeren van een kortere werkweek wordt door Bregman gelegitimeerd met behulp van een efficiëntie- en besparingslogica. En zelfs het uitdelen van gratis geld als middel om wereldwijde armoede op te lossen, zou volgens Bregman in de eerste plaats een besparing betekenen ten opzichte van de dure en inefficiënte ontwikkelingshulp vandaag.

In dat opzicht zijn de utopieën van Bregman niet zo radicaal als ze op het eerst zicht lijken. Het zijn in de eerste plaats creatieve oplossingen voor problemen die zich (vooral) stellen indien men vasthoudt aan de mantra’s van het huidige politieke denken: de weldaad van kapitalistische economische groei, de wenselijkheid van onstuitbare technologische ontwikkeling, en de idee dat iedereen ten lange leste bij beide wel zal varen. Dat die oplossingen bovendien politiek neutraal zouden zijn (want voorbij links-rechts tegenstellingen), lijkt me weinig waarschijnlijk. Het afbreken van de sociale zekerheid en de welvaartsstaat ten voordele van een universeel basisinkomen; het aanpakken van extreme financiële armoede en het tegelijk ongemoeid laten van ongelijkheid; het formuleren van maatschappelijke vooruitgang in termen van een economische efficiëntie-logica: het zijn punten waar zelfs de klassieke links-rechts tegenstelling nog lang niet over uitgepraat is.

Notes:

  1. Recensie in het november-nummer. Deze post steunt in grote mate op die tekst.

7 thoughts on “Utopisch denken in post-ideologische tijden”

  1. Toch even een reactie als auteur van het besproken boek, omdat er wel heel veel rare dingen in dit stuk staan.

    1. Als je gelooft in de kracht van ideeën behoor je tot de TED-generatie, begrijp ik. Dat geldt dus ook voor Keynes en Friedman? Natuurlijk hebben ideeën ook een voertuig nodig (partij, kerk, vakbond, vereniging, denktank – kortom: macht), maar het begint met de richting. Zie ook hoofdstuk 10, waarin ik uitgebreid de opkomst van het neoliberalisme analyseer, dat toch echt begon bij een klein groepje van outcasts die heel anders dachten.

    2. Dat ik de geschiedenis zie als ‘een lineair verhaal van vooruitgang met het heden als onvermijdelijke uitkomst’ is onzin. Zie ook mijn ‘Geschiedenis van de vooruitgang’ (2013) waarin ik die notie juist voortdurend ontkracht. In het eerste hoofdstuk van ‘Gratis geld voor iedereen’ schets ik slechts hoe steeds meer mensen zijn aangekomen in een Luilekkerland van materiële overvloed.

    3. De auteur merkt zelf op dat ik een heel hoofdstuk schrijf over ‘het zoeken van een alternatieve maatstaf voor economische groei’ (kortom: de onzin van het bbp) en een hoofdstuk over een 15-urige werkweek heb geschreven, om vervolgens te concluderen dat ik toch vasthoud aan ‘de weldaad van kapitalistische economische groei’.

    ???

    3. Ik zou de utopie definiëren als ‘geloof in vooruitgang’. Waar kan ik dit vinden in mijn boek? Ik zie het nergens, wat op zich logisch is want zo zie ik de utopie ook helemaal niet. Zomaar een citaat uit m’n boek:

    ‘We hebben een nieuwe stip op de horizon nodig, een kaart van de wereld waar Utopia weer op staat. Dan doel ik niet op de haarscherpe blauwdrukken van utopische fanatici, die in vijfjarenplannen aan de massa worden opgedrongen. Daarin worden mensen ondergeschikt gemaakt aan idealen. Bedenk: utopie betekent zowel ‘goede plaats’ als ‘nergens’. Wat we nodig hebben zijn alternatieve vergezichten, die ons weer aan het denken zetten. En ik spreek nadrukkelijk in het meervoud: utopieën moeten met elkaar botsen om de democratie in beweging te houden.”

    Bij utopieën gaat het dus om alternatieven, niet om zomaar een geloof in vooruitgang. Daarvoor moet je in Silicon Valley wezen.

    4. Dat ik pas halverwege het boek op de noodzaak van herverdeling kom is alweer simpelweg onjuist. Zie bijvoorbeeld het slot van hoofdstuk 4, en zie ook het hoofdstuk over belastingen. Ongelijkheid is zelfs een van de hoofdthema’s van mijn boek. Dat de auteur stelt dat ik alleen geïnteresseerd ben ik armoede en niet in de verdeling van welvaart, slaat echt nergens op. Ik vraag me af of hij het boek wel helemaal gelezen heeft.

    5. Ik zou mijn pleidooi voor een korte werkweek en een basisinkomen louter onderbouwen met een ‘efficiëntie- en besparingslogica’. En inderdaad, ik schrijf dat het veel goedkoper is om daklozen van opvang te voorzien dan ze op straat te laten verpieteren. Maar ik begrijp dat dit te concreet is? Dat je kleine utopie – in dit geval een stad waarin iedereen een dak boven zijn hoofd heeft – vooral niet te goedkoop mag zijn? Dat besparen je meteen in de hoek van het neoliberalisme drukt?

    6. Ik zou ook nog hebben geschreven dat ongebreidelde groei en technologische ontwikkeling geweldig is en dat “iedereen ten lange leste bij beide wel zal varen”. Ik dacht zelf eerlijk gezegd dat ik het tegenovergestelde heb geschreven. Hoofdstuk na hoofdstuk schrijf ik over de gevaren van de huidige koers, van een afbrokkelende middenklasse tot exploderende ongelijkheid. Keer op keer schrijf ik dat het cruciaal is dat we de technologische ontwikkelingen politiseren, dat we onze verzorgingsstaat anders zullen moeten inrichten, dat er radicale herverdeling zal moeten komen etc etc

    7. Ik zou volgens de auteur ook nog denken dat mijn utopieën ‘politiek neutraal’ zijn, want ‘voorbij links-rechts tegenstellingen’. In werkelijkheid schrijf ik precies het tegenovergestelde. De utopieën die ik voorstel zijn juist niet politiek neutraal omdat ze de huidige gedepolitiseerde links-rechts tegenstelling overstijgen. Dat iets automatisch ‘politiek neutraal’ is als het niet in het standaard hokje van links of rechts past, lijkt mij onzin.

    1. Dag Rutger,

      Even kort ingaan op je aangehaalde punten:
      1. In de recensie voor SamPol schreef ik uitgebreider:
      “Als het op de kracht van ideeën aankomt, behoort Bregman duidelijk tot de TED-generatie: het naïeve (maar niet onschuldige) geloof dat ideeën een autonome kracht van verandering vormen, is onwrikbaar. Dat geldt niet alleen voor het geloof in de mogelijkheden die Bregmans voorgestelde utopieën bieden, maar evenzeer voor zijn interpretatie van het verleden. Zo is het volgens Bregman de schijnbaar toevallige uitvinding van de vaatwasmachine die de 20ste-eeuwse emancipatie van de vrouw veroorzaakte, zijn het de ideeën van de Verlichting die de moderne wetenschap voort brachten, lag een geniaal idee van James Watt aan de basis van de industriële revolutie, en valt het succes van het liberalisme na WO II enkel te wijten aan de vrije-markt-utopieën van Hayek en Friedman. Voor een kijk op historische verandering die meer fundamentele factoren, zoals machtsrelaties of sociaal-economische structuren, aan bod laat komen, moet je niet bij Bregman zijn.”
      Macht, economisch, politiek en sociaal, is niet slechts een voertuig voor ideeën, maar is tegelijkertijd ook construerend daarvoor. Evenmin zetten ideeën vrij van macht bakens uit in de toekomst en bepalen zij de utopische krachtlijnen voor vooruitgang. We hebben daarin een fundamenteel andere visie op verleden en verandering.

      2. Het is een recensie van “Gratis geld voor iedereen”, niet van “Geschiedenis van de vooruitgang.” Het inleidend hoofdstuk is – dat kan je toch moeilijk ontkennen – teleologisch en lineair in haar interpretatie van materiële vooruitgang. Dat is zeker en vast geen algemeen aangenomen interpretatie of zienswijze, en dus open voor kritiek. Het is niet de kern van je boek, maar wel het uitgangspunt, vandaar dat ik het vermeld zonder er verder diep op in te gaan.

      3. Ik schrijf nergens dat jij vasthoudt aan de weldaad van economische groei. Wel schrijf ik dat de oplossingen die je aandraagt – gemotiveerd als ze zijn door een retoriek van besparing, efficiëntie en minder overheidsbetutteling – precies van daaruit gemotiveerd worden.

      3bis. In de inleiding zet je uiteen (zoals ik het begrijp) dat we geen verdere vooruitgang meer kunnen boeken omdat we geen ideeën meer hebben over hoe de wereld beter kan (we zitten immers reeds in luilekkerland). Ik citeer: “We kunnen niet zonder de utopie. Juist in deze tijd, waarin de beelden van morgen steeds weer uit de blauwdruk van vandaag komen, is er behoeft e aan nieuwe dromen. Niet dat het heden slecht is, integendeel. Maar treurig is het wel, als het niet meer beter wordt. ‘De mens heeft voor zijn geluk niet alleen het plezier van de dingen nodig, maar ook hoop, verandering en vooruitgang,’ schreef de Britse fi losoof Bertrand Russell lang geleden.”
      Dat vertaal ik vrij als de nood aan een herwonnen geloof in vooruitgang. Foutief?

      4. Het hoofdstuk waar je naar verwijst komt wel degelijk ver voorbij halverwege het boek – maar dat terzijde. 🙂 Het gaat erom dat ongelijkheid geen duidelijke rol speelt in je oplossing voor armoede; en er een reëel gevaar bestaat voor sterk stijgende ongelijkheid als gevolg van het basisinkomen, waar je verder niet naar verwijst. Er zit dan ook een inherente contradictie tussen de door jou voorgestelde utopieën en het verwijzen naar – bijvoorbeeld – het werk van Piketty. Ik weet dat het thema je interesseert en aanbelangt (en jouw bijdrage op de Correspondent heeft veel gedaan voor het verspreiden van Piketty in de Lage Landen), maar in het boek verschijnt het quasi als een bijgedachte. Dat is een vreemde vaststelling voor een werk dat de grote problemen van onze tijd tracht op te lossen, aangezien ongelijkheid daar precies één van de allergrootste van is.

      5. Het woord neoliberalisme valt niet in mijn recensie, en voor zover die term nog betekenis heeft, zou ik je er nu ook niet meteen in onder brengen. Maar het punt staat.

      6. Idem als bij punt 3 – dat is immers niet wat ik schreef.

      7. Er staat dat politiek neutraal hier te interpreteren valt als voorbij links-rechts tegenstellingen. Ik schrijf dus precies dat de zaken die je aanhaalt en de oplossingen die je aanbrengt volgens mij niét de links-rechts tegenstellingen overstijgen – en daarin verschillen we van mening.

  2. Bij 3 is er dus sprake van een soort ‘guilt by association?’ Ik pleit voor minder betutteling, dat doen andere mensen waar je het niet mee eens bent ook, en dus zit ik fout?

    Tot slot nog even een letterlijk citaat van pagina 88 (het boek heeft 256 pagina’s):

    “Willen we vasthouden aan de zegeningen van de technologie, dan zit er uiteindelijk maar één ding op: herverdeling. Véél herverdeling. Van geld (een basisinkomen), tijd (een kortere werkweek), belasting (van arbeid naar kapitaal) en, natuurlijk, van robots. Al in de negentiende eeuw schreef Oscar Wilde dat iedereen zou profiteren van intelligente machines als die ‘het bezit van allen’ zouden zijn. Technologische vooruitgang maakt een samenleving welvarender, maar er is geen economische wet die zegt dat iedereen ervan profiteert.”

    Eerst schrijf je dat ik niets doe met ongelijkheid, nu schrijf je dat het een ‘bijgedachte’ is – begrijp je dat het nogal frustrerend is voor een auteur als een recensent zo nonchalant omgaat met zijn werk?

    1. 1. Geen guilt by association, wel een vaststelling dat de retoriek waarmee je jouw oplossingen ondersteunt ontleend is aan een specifiek discours en een specifiek denkkader. Ook van dat denkkader afstappen biedt mogelijkheden tot oplossingen die naast die van jou kunnen staan.

      2. We vallen wat in herhaling, denk ik. Ik schreef hierboven niet dat je “niets doet met ongelijkheid”, wel dat het er “lang naar zoeken is” en dat wat je er over schrijft moeilijk in overeen stemming te brengen is met de oplossingen die je aandraagt. In het fragment dat je hier net citeert, identificeer je een ongelijkheidsprobleem, maar je utopieën (basisinkomen, 15-urige werkweek, gratis geld) bevatten géén oplossing voor herverdeling. Dat vind ik problematisch. Vandaar ook dat ik kritiek lever op jouw stelling dat armoede een “fundamenteel geldgebrek” is, want daar ben ik het eenvoudigweg niet mee eens.

      Ik heb je boek aandachtig en met plezier gelezen, en dit zijn mijn punten van kritiek. We kunnen daarover in discussie gaan (heel graag), en – wie weet – bijleren over hoe we de dingen anders zien (en ik apprecieer je verduidelijkingen). Mijn kritiekpunten louter toeschrijven aan ‘nonchalance’ is echter een beetje makkelijk, niet?

      1. Even opgezocht: het woord ‘ongelijkheid’ komt 51 keer voor in mijn boek. Zo lang zoeken lijkt me dat ook weer niet.
        Lijkt me verder evident dat een kortere werkweek gepaard zou gaan met allerlei vormen van herverdeling (zie citaat uit mn boek dat ik hierboven gaf). Mijn hoofdstuk over belastingen gaat hier nog veel uitgebreider op in (van vermogensbelastingen tot Pigouviaanse belastingen, etc etc).

        Wat betreft het ‘specifieke discours’: ik wind me in mn boek op over de betutteling en vernedering die plaatsvindt binnen de moderne verzorgingsstaat (van sollicitatiecursussen tot verplicht ‘vrijwilligerswerk’). Mensen aan de onderkant weten zelf vaak dondersgoed wat ze met hun geld/leven aanmoeten, maar missen vaak gewoon de middelen. Deze gedachte gaat lijnrecht in tegen het dominante discours (dat gedeeld wordt van sociaaldemocratisch links tot ‘liberaal’ rechts) dat bv werklozen of mensen onder de armoedegrens vooral veel training, cursussen of zelfs straffen moeten krijgen.

  3. 1. Ik had het natuurlijk niet letterlijk over de snelheid waarmee je het woord opgezocht krijgt, wel over de betrekkelijk marginale positie die het inneemt in de hele discussie over basisinkomen en gratis geld. 🙂 Je hebt gelijk dat je deel over belastingen daar meer op ingaat, maar dat staat dan weer grotendeels los van het centrale argument dat in de rest van het boek aan bod komt. Nogmaals: ik ben overtuigd van jouw geloof in het belang van ongelijkheid als politiek agendapunt; maar het punt wordt wat mij betreft (te veel) genegeerd in de basislijnen van het boek.

    2. Als de bottomline van het bestrijden van overheidsbetutteling is dat we de sociale zekerheid en welvaartsstaat moeten vervangen door een universeel basisinkomen, dan is ook dat volgens mij in de eerste plaats een rechts discours. Maar, als je bijvoorbeeld de bijdrage van Bert De Munck vorige week op deze blog leest, zal je merken dat hij het daar bijvoorbeeld niet meteen mee eens zal zijn…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *