Kinderbijslag is er voor iedereen: waarom ‘Markske’ ongelijk heeft

In het Radio 2–programma De Rotonde liet Herman Verbruggen – ‘Markske van de Kampioenen’ voor de connaisseurs – zich uit over de toekomst van de kinderbijslag, en dat heeft heel wat weerklank gevonden in de geschreven pers (De Standaard, De Morgen). Op zich is het uiteraard al verbazingwekkend dat een acteur met een mening nieuwswaardig blijkt te zijn, het is ook niet de eerste keer dat Verbruggen zich uitlaat over politieke en sociale thema’s. Denk aan deze mijns inziens bedenkelijke passage in Reyers Laat waarin hij het imago van Liesbeth Homans verklaart door de stand van haar mondhoeken en zich en stoemelings out als haar fan.

Maar goed, terug naar de kinderbijslag. Verbruggen stelt dat kindergeld geven aan tweeverdieners boven je stand leven is als maatschappij: “het wordt hoog tijd dat mensen beseffen dat je geen geld kan maken dat er niet is.” Hij vervolgt: “We zouden beter enkel geld geven aan mensen die het nodig hebben, die het financieel moeilijk hebben omdat ze niet kunnen werken door omstandigheden.” Hoewel zijn opmerking is ingebed in een besparingslogica is zijn reflex sociaal: “Het gaat over prioriteiten stellen: ik kan gerust zonder de nieuwste telefoon als minder kindergeld betekent dat ik de broeksriem wat moet aanhalen. Maar voor sommige mensen kan dat geld een gróót verschil betekenen.” Verbruggen is uiteraard niet de eerste die de universele kinderbijslag in vraag stelt. In de jaren vijftig werd het debat al gevoerd of de rijken wel kinderbijslag nodig hadden. Zelfs Louis Tobback stelde in 1995 de vraag of het zin heeft “om kinderbijslag te geven aan een gezin dat massa’s geld verdient?” En ook in Nederland woedt vandaag dat debat.

Toch is het geen goed idee.

De logica van de kinderbijslag

Om te weten waarom, moeten we even teruggrijpen naar de logica van de kinderbijslag. Die is eigenlijk heel eenvoudig. Een deel van de kosten van het opvoeden van kinderen wordt gespreid over de hele bevolking omdat kinderen een publiek goed zijn. Iedereen heeft er immers belang bij dat alle kinderen een goede toekomst tegemoet gaan. Dat omvat ook een intergenerationele logica. Ouders dragen nu tweemaal bij: eenmaal voor de pensioenen van de huidige generatie, en via de opvoeding van hun kinderen ook voor de pensioenen van volgende generaties. Dat is de universele component van de kinderbijslag.

De draagkracht van gezinnen is echter niet gelijk. Voor gezinnen die met een laag inkomen moeten rondkomen is de kost van kinderen proportioneel zwaarder om te dragen; zij hebben het een pak moeilijker om hun kinderen dezelfde kansen te geven als kinderen die opgroeien in een meer begoed gezin. Een kinderbijslagstelsel waarin meer wordt gegeven aan ouders met een lager inkomen is dan ook  een erg doeltreffend wapen in de strijd tegen (kinder)armoede: het heeft een onmiddellijke impact op het gezinsinkomen van gezinnen en kan gezinnen met een laag gezinsinkomen over de armoedegrens tillen. Dat is de selectieve component van de kinderbijslag.

Een ideaal kinderbijslagstelsel bevat een goede balans tussen universaliteit (het compenseert deels voor de kosten van kinderen in alle gezinnen) en selectiviteit (het compenseert meer voor de kinderen in gezinnen met minder middelen).

Paradox van de herverdeling

Een volledig selectief systeem waarbij alleen wordt gegeven aan wie het nodig heeft, waar Verbruggen voor pleit, doorbreekt dat evenwicht. En dus ook de rationale van de kinderbijslag. Een belangrijk – maar ongewenst – neveneffect van dergelijk systeem is wat Walter Korpi en Joakim Palme in een beroemde paper uit 1998 de ‘paradox van de herverdeling‘ hebben genoemd: hoe meer de middelen van het sociaal beleid gericht worden op de laagste inkomens, hoe minder middelen uiteindelijk ten goede komen aan de mensen die ze het meest nodig hebben.

Het achterliggende mechanisme is politiek-economisch: hoe minder legitimiteit een sociaal stelsel kent en hoe minder mensen er baat bij hebben, hoe minder beleidsmakers geneigd zullen zijn om erin te investeren, wat ertoe leidt dat het totale budget voor die voorzieningen te klein wordt om nog effectief te zijn. Die spiraal van zelfvernietiging wordt vaak samengevat met de boutade dat “programs for the poor become poor programs.” Bovendien is het implementeren van een inkomenstoets erg moeilijk, gaan selectieve systemen gepaard met een groter stigma voor de ontvangers en een grotere mate van ondergebruik.

Intussen weten we dat de relatie tussen selectiviteit en herverdeling complex en niet noodzakelijk een universele wetmatigheid is. Een specifieke uitkering die selectief wordt toegekend maar ingebed is in een breder stelsel van sociale zekerheid waar mensen over het algemeen wel baat bij hebben, zal niet noodzakelijk te lijden hebben onder een gebrek aan legitimiteit.

Rechtstreekse politieke controle

Toch lijkt het mechanisme voor een cash uitkering als kinderbijslag wel degelijk op te gaan, zeker nu de kinderbijslag in België door de zesde staatshervorming is losgeweekt uit het carcan van de sociale zekerheid en onder de vorm van een  ‘enveloppe’ wordt toegekend aan de gemeenschappen. Dat betekent dat het geld (Voor Vlaanderen om en bij de drie miljard euro) rechtstreeks onder politieke controle komt te staan. Als de universaliteit wordt opgegeven zal, gezien de omvang van het budget, de verleiding  erg groot zijn om nog meer geld uit het systeem te halen en aan te wenden voor andere beleidsmaatregelen die niet noodzakelijk dezelfde finaliteit hebben als het kindergeld, of om tekorten elders te compenseren. We zitten immers, zoals Verbruggen zelf al aangaf, in een besparingslogica.

Zo dreigt de kinderbijslag verstrikt te raken in de paradox van de herverdeling: hoe minder legitimiteit het geniet, hoe minder effectief de uitkering zal zijn omdat de totale middeleninzet vermindert, waardoor de legitimiteit nog verder afneemt.  Ten langen leste wacht de irrelevantie: minder budget, lage bedragen die amper een impact op het gezinsinkomen hebben, waardoor het ganse stelsel eigenlijk overbodig wordt. Dat terwijl de logica van de kinderbijslag in feite ijzersterk is, en het een bijzonder grote impact heeft op het armoederisico van (gezinnen met) kinderen.

Voorbeelden uit het buitenland bevestigen dat. Waar kinderbijslagen volledig selectief zijn, zoals in Spanje of Italië, is de totale uitgavenpost erg klein en is de impact van de kinderbijslag op het gezinsinkomen verwaarloosbaar. (Zie hier en hier.) De systemen die er in slagen om de meeste middelen te geven aan de laagste inkomens combineren universaliteit en selectiviteit: elk gezin met kinderen heeft recht op kinderbijslag, maar wie meer nodig heeft krijgt ook meer. Dat is ook de weg die men in Vlaanderen zal moeten bewandelen: de universaliteit behouden, maar de middelen selectiever inzetten om effectiever te zijn in de strijd tegen armoede (lees er hier meer over).

Kortom, het voorstel van Herman Verbruggen om aan hogere inkomens geen kindergeld meer toe te kennen is geen goed idee. Minder voor de rijken leidt immers niet vanzelf tot meer voor de armen. Vertonghen, gij kieken!

6 thoughts on “Kinderbijslag is er voor iedereen: waarom ‘Markske’ ongelijk heeft”

  1. “Een deel van de kosten van het opvoeden van kinderen wordt gespreid over de hele bevolking omdat kinderen een publiek goed zijn.”

    Ik denk niet dat dit noodzakelijk volgt. Als (een deel van) de bevolking vanzelf voor voldoende kinderen zorgt lijkt het me onnodig daarvoor publieke middelen aan te wenden.

    Vooral bij de meer begoede burger is de vraag of er een betekenisvolle elasticiteit is van # kinderen tov kinderbijslag.

    In het VK wordt kinderbijslag geleidelijk wegbelast vanaf ca £42,000 (ca €53.000) tot £56,000 (€70.000), voorbij welk gedrag er niets meer overblijft. Dat is volgens een £:£ principe, dus de facto een 100% belastingtarief, dus misschien niet optimaal. Maar het lijkt me wel verdedigbaar kinderbijslag voor inkomens boven een bepaalde grens af te bouwen.

    1. Dag Koen.

      Bedankt voor je reflecties. Een korte reactie.

      1. Ook al zou er bij de rijkste decielen weinig tot geen elasticiteit zijn wat het aantal kinderen betreft in functie van de kinderbijslag, dan is dat niet noodzakelijk een voldoende argument om ze dan maar geen kinderbijslag meer te geven. Als blijkt dat daardoor een uitkering in zijn geheel minder effectief wordt (in functie van armoedebestrijding, in functie van kostencompensatie, of allebei), kan het net wijs zijn om iedereen te integreren in het sociaal beleid. Dat is net het ganse Korpi en Palme-argument voor een universele welvaartsstaat. We weten intussen dat de paradox van de herverdeling niet noodzakelijk altijd waar is, maar het tegendeel, nl. een inkomensselectieve cash uitkering, leidt nergens tot betere resultaten in functie van armoedebestrijding.

      2. In VK is het wegbelasten van de child benefit een recente austerity measure, als ik me niet vergis, met een ‘opt out’-optie. En als veel gezinnen dat ook daadwerkelijk doen, dreigt de legitimiteit van het systeem toch in gevaar te komen. Neem daarbij dat het zagen aan de poten van de universal child benefit een besparingsmaatregel was, en geen poging om meer middelen naar de laagste inkomens te heroriënteren, dan doet dit afbreuk aan de effectiviteit van de uitkering. En dan loert die negatieve spiraal waar ik in het stuk over spreek wel degelijk om de hoek. Zie bijvoorbeeld een pessimistische Jonathan Bradshaw hierover: http://theconversation.com/ed-balls-risks-pushing-more-families-into-poverty-with-child-benefit-plan-32004. Naar mijn gevoel is het VK geen goed voorbeeld van hoe de kinderbijslag selectief kan worden zonder al te grote gevolgen.

      Overigens, ook in België is de fiscalisering van de kinderbijslag al vaker als hervormingsvoorstel naar voren geschoven maar sinds de zesde staatshervorming is die piste veel moeilijker geworden. Het toevoegen van de kinderbijslagen bij het belastbare inkomen zou immers een wijziging van de belastbare grondslag van de personenbelastingen inhouden, en dat blijft een exclusieve bevoegdheid van de federale wetgever.

      1. Dank voor de reactie!

        Via welk praktisch mechanisme kan het voordeliger zijn een extra euro uit te geven te verdelen over een bredere laag van de bevolking, dan over de laagste deciel(en)? de hoogste 2 decielen in het VK krijgen 75% in kinderbijslag van wat de laagste twee decielen krijgen (£307M vs £451M) (zie http://ow.ly/EoWN2). Is het echt zo dat dit geld niet beter zou worden besteed aan de laagste twee decielen, als het de bedoeling is te herverdelen en armoede te bestrijden?

        Ik weet niet precies wat je bedoelt met ‘opt-out’ optie in verband met de kinderbijslag . Het is mogelijk de kinderbijslag op te geven om de extra belasting te vermijden, maar dat maakt geen materieel verschil.

        Ik vind het opmerkelijk dat zoveel herverdelende maatregelen en subsidies gericht zijn naar inkomensgroepen die er nauwelijks nood aan hebben, terwijl er tegelijkertijd schrijnende armoede blijft bestaan. Is een meer gerichte herverdeling niet een efficiënte manier om dat aan te pakken?

        1. Dag Koen,

          1. Het argument is dat als er minder mensen baat hebben bij een bepaalde uitkering, het maatschappelijk draagvlak voor die uitkering zal verminderen omdat 1) minder mensen er iets voor terugkeren; en 2) de ontvangers met een stigma zullen worden geconfronteerd. Als die opt-out optie er voor zorgt dat meer mensen zich aan de kinderbijslag onttrekken (en als dit bericht klopt, http://www.dailymail.co.uk/news/article-2614874/Threat-fines-keeping-child-benefit-sees-number-families-opting-DOUBLE-400-000-year.html, dan lijkt dat ook zo te zijn) dan zal dat implicaties hebben voor het draagvlak en de betalingsbereidheid. Daarnaast wordt door het invoeren van inkomensselectiviteit het budget verminderd (hier in functie van een besparing). De combinatie van afnemende betalingsbereidheid en verminderd budget kan die negatieve spiraal in werking zetten. Bovendien is er ook een praktisch probleem: inkomensselectiviteit is verdomd moeilijk en gaat bijna altijd gepaard met fouten en ondergebruik. Ook dat kan een reden zijn om de middelen op basis van relatief eenvoudige criteria (het hebben van kinderen) te verdelen.

          2. Het ideale systeem combineert universaliteit en selectiviteit, ‘progressief universalisme’ of de meer oubollige academische term ‘selectiviteit binnen de universaliteit’. In België, en in de meeste Europese landen, bestaat zo’n systeem. Voor het bedrag per kind (het ‘universele deel’) wordt in België – tot op vandaag – een onderscheid gemaakt tussen de rang van het kind: een tweede kind krijgt meer dan het eerste, een derde meer dan het tweede. Dit is de zogenaamde rangprogressiviteit. Deze bedragen worden voor elk kind aangevuld met een leeftijdstoeslag en een jaarlijkse toeslag (de ‘schoolpremie’). Naast de basisbedragen bestaan er een aantal sociale toeslagen (het ‘selectieve deel’). Sociale toeslagen worden toegekend op basis van de socio-economische status van de rechthebbende op kinderbijslag (langdurige werkloosheid, invaliditeit, ziekte, overlevingspensioen, eenoudergezinnen) waarbinnen ook een inkomensgrens geldt: het gaat dus om een combinatie van categoriale en inkomensselectiviteit.

          (Tussen haakjes: uiteraard is een universeel kinderbijslagstelsel nooit volledig universeel, want niet iedereen heeft kinderen. Maar de conventie is dat universaliteit betekent dat alle potentiële rechthebbenden het ook krijgen, ongeacht hun inkomen of noden)

          Het probleem is nu dat de kinderbijslagen in BE wel een groot effect op kinderarmoede hebben, maar dat de middelen eigenlijk niet zo doelmatig worden ingezet. We geven veel uit, maar de verdeling van die middelen kan veel beter. Dat heeft te maken met de geringe omvang van de selectiviteit: voor Vlaanderen wordt slechts 3,8% van de middelen verdeeld binnen de selectieve component van de kinderbijslag (de sociale toeslagen), 96,2% gaat naar alle gezinnen met kinderen ongeacht inkomen of noodzaak.

          Er is dus zeker ruimte om de selectiviteit te versterken, bijvoorbeeld door de budgetten intern te verschuiven. Dat kan in het kader van de hervormingsplannen van de Vlaamse regering, waarin men de kinderbijslag forfaitair wil toekennen (afschaffen rangen en leeftijdstoeslagen en elk kind een gelijk bedrag) maar daarbovenop extra kinderbijslag wil toekennen aan lage inkomensgezinnen. Een verschuiving van het budget naar meer selectiviteit impliceert dat er minder overblijft voor ‘iedereen’ (maar omdat het zo’n grote groep kinderen betreft is het effect niet zo groot), en meer voor wie het nodig heeft. Maar, om die paradox van de herverdeling te vermijden is het belangrijk dat dit binnen een universeel kader blijft gebeuren.

          Zoals ik stel in het stuk: er is geen land waar een kinderbijslagstelsel volledig selectief is, maar toch doelmatiger is in het bereiken van de laagste inkomens. Dat is uiteraard geen sluitend bewijs dat er geen systeem zou kunnen bestaan van ‘doelmatige selectiviteit’ (selectiviteit via belastingen zoals in VK lijkt mij alvast beter dan selectiviteit in een directe cash uitkering, maar mensen als John Hills van LSE zijn niettemin zeer kritisch over de efficiëntie van zo’n systeem), maar ligt wel volledig in lijn met het theoretisch kader van de paradox van de herverdeling.

          Enfin, ik ben geneigd om ‘ja’ te antwoorden op je vraag of een meer gerichte herverdeling niet efficiënter zou zijn (we moeten in België echt eens grondig nadenken over hoe we onze sociale uitgaven verdelen en over hoe we Mattheus-effecten gaan vermijden), maar dat betekent niet dat we zomaar het principe van de universaliteit overboord moeten gooien. Dat is een geval-per-geval kwestie, vrees ik, en in het geval van de kinderbijslag zou het onverstandig zijn.

          1. Toch nog heel even. 🙂

            Dat ‘opting out’ verhaal in het VK vertelt eigenlijk niets van betekenis. Het principe is dat de kinderbijslag wordt (weg)belast vanaf een bepaald inkomen. Men kan ervoor kiezen die technische ingreep te vermijden door de kinderbijslag af te wijzen in de eerste plaats. Het resultaat is exact hetzelfde.

            Dat het om een besparing gaat is een kwestie van framing: men zou ook kunnen zeggen dat dank zij deze maatregel de kinderbijslag voor lagere inkomens op peil kan worden gehouden, of dat de middelen die anders bij hoge verdieners (>£60,000) zouden terecht komen nu elders, en beter kunnen worden besteed.

            Ik ben ook niet echt overtuigd door het draagvlak-argument: er lijken mij flink wat uitkeringen en subsidies te zijn (van NIA voor bedrijven tot gratis openbaar vervoer voor 60+ers, van maaltijdchecks tot belastingvermindering voor brandverzekering) die lang niet universeel zijn en toch met weinig moeite in stand blijven. Waarom wordt kinderbijslag anders bekeken dan het leefloon of andere OCMW-steun? Als er een draagvlak is om dergelijke steunmaatregelen te beperken tot diegenen die er werkelijk nood aan hebben, waarom is dat er dan niet voor de kinderbijslag?

            De inkomensselectiviteit kan makkelijk worden geimplementeerd via de belastingen (zoals in het VK), waardoor de steun ook geleidelijk kan worden afgebouwd.

            We lijken het echter grotendeels eens te zijn (je zegt: “We geven veel uit, maar de verdeling van die middelen kan veel beter. Dat heeft te maken met de geringe omvang van de selectiviteit: voor Vlaanderen wordt slechts 3,8% van de middelen verdeeld binnen de selectieve component van de kinderbijslag (de sociale toeslagen), 96,2% gaat naar alle gezinnen met kinderen ongeacht inkomen of noodzaak. Er is dus zeker ruimte om de selectiviteit te versterken,”) – al schijnt dat toch wat in strijd te zijn met de toon die de titel van je stuk suggereert. 🙂

            Hoe je die selectiviteit ook vorm geeft, ze lijkt me niet om het feit heen te kunnen dat minder geld bij de kinderen uit gezinnen van hogere inkomens terecht komt dan bij kinderen uit lage-inkomensgezinnen. Ik vraag me af hoe hoog het bedrag voor ‘rijkere’ kinderen moet zijn om het noodzakelijke draagvlak te garanderen.

            Hoe dan ook lijkt kinderbijslag me een van (helaas) vele Belgische voorbeelden van het perverse Mattheus-effect.

  2. Ook nog heel even. 🙂

    Ik denk je het verhaal van het draagvlak wat verkeerd interpreteert. Het is niet zomaar een mechanisch effect, maar draagvlak en betalingsbereidheid heeft op meer subtiele, indirecte wijze een invloed op de manier waarop de uitkering politiek wordt bejegend en, dus, op de totale middeleninzet voor die uitkering. Dat opting out verhaal is in dat opzicht wel degelijk van betekenis. Hoe minder mensen ook maar enige baat hebben bij een bepaalde uitkering, hoe minder men geneigd zal zijn om veel middelen in die uitkering te investeren. De effectiviteit van die uitkering voor de lage inkomens is echter een functie van de totale middeleninzet en de verdeling van die middelen, waarbij de totale middeleninzet belangrijker is.

    Overigens: attitude-onderzoek toont weldegelijk aan dat mensen inderdaad op een relatief wederkerige manier naar uitkeringen kijken; men wil niet exact terug wat erin wordt gestopt, maar er moet wel enige baat zijn om een band met die uitkering te behouden.

    Die selectieve uitkeringen die wel bestaan zijn niet in tegenspraak met de bovenstaande logica. In het stuk schrijf ik dat de relatie selectiviteit-herverdeling complex is dan men vroeger dacht. Bovendien zijn dit allemaal kleine programma’s die beperkt zijn in omvang qua budget.

    (Overigens: Je beseft toch hoe mensen naar leefloners kijken, en wat het draagvlak is om via OCMW’s steun te verlenen? Het zou echt geen goed idee zijn om een inkomensaanvullende uitkering als de kinderbijslag met zo’n potentiële impact op het gezinsinkomen voor de lage inkomens op die manier te gaan zien; nog los van de implementatie van zo’n middelentoets.)

    Wat jij een kwestie van framing noemt, noem ik eigenlijk een bevestiging van mijn conclusie van het stuk: afnemen van de hoogste inkomens leidt niet vanzelf tot meer voor de laagste inkomens. Dat is ook wat we zien in de VK net omdat het een besparingsmaatregel is en geen maatregel om de middelen beter in te zetten. En zoals eerder geschreven: er zijn geen (?) goede voorbeelden te vinden van selectieve kinderbijslagen die ook goed werken.

    Dat neemt allemaal niet weg dat de middelen voor de kinderbijslag in België inderdaad beter verdeeld kunnen worden, en dat daarvoor meer selectiviteit noodzakelijk is. Daarover zijn we het eens.

Laat een reactie achter op Wim Van Lancker Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *