Over transfers. Nogmaals.

123

VIVES, het Vlaams Instituut voor Economie en Samenleving aan de KU Leuven, heeft een nieuwe Briefing uit. Hierin worden de publieke transfers tussen Belgische gewesten nogmaals in kaart gebracht, en dit voor de periode 2007-2011. DS berichtte hierover onder de titel ‘transfers tussen deelstaten dalen niet’. Dat had ook ‘stijgen niet’ (zoals in L’echo) kunnen zijn, of ‘blijven gelijk’ (zoals op pagina 12 van DS), maar men koos voor het eerste, temeer omdat VIVES zelf een verlaging verwacht had. Vlaanderen had als exportregio immers meer onder de crisis te lijden dan de rest van het land in die periode, en dan verwacht je nu eenmaal lagere transfers. De studie haalt drie redenen aan waarom het nuttig is naar transfers op zich te kijken en waarom ze zo schadelijk zijn: (1) ze zouden de economische groei in ontvangende regio’s verminderen en zo de ongelijkheid verder vergroten, (2) ze geven aanleiding tot ongewenst politiek gedrag; en (3) in het geval van grote solidariteit zullen lagere overheden anticiperen dat hun slechte beleid gecompenseerd zal worden door de federatie.

Het is in dit stuk voor één keer niet onze bedoeling in te gaan op deze argumenten, die elk een zekere grond hebben. Wel willen we erop wijzen dat dit zogenaamde tweede-orde effecten zijn, en richten we de aandacht liever op de olifant in de kamer: de onderliggende bestaansredenen van de transfers zelf.

Kijken we naar een kaart van België die per gemeente het gemiddelde inkomen weergeeft, dan springen die bestaansredenen nochtans meteen in het oog. De verschillen in inkomensniveau zijn niet alleen enorm, ze zijn ook illustratief voor andere verschillen in werkgelegenheid en scholingskansen, en vallen bovendien niet samen met de gewestgrenzen. Een systeem zoals het onze, dat gelijkheid van kansen en solidariteit hoog in het vaandel draagt, compenseert voor die verschillen. Leggen we dat systeem vervolgens onder een regionale loep, dan krijg je onvermijdelijk interregionale transfers. Maar wat meten we dan precies?

Kaart
bron: DS Online

We illustreren die regionale focus aan de hand van dezelfde drie soorten overheidsuitgaven die VIVES gebruikt om de transfers te berekenen: (1) de sociale zekerheidsuitgaven, (2) de dotaties in de Bijzondere Financieringswet, en (3) de federale uitgaven zonder sociale zekerheid en interestlasten.

  1. De grootste groep transfers loopt via de sociale zekerheidsuitgaven. Hierbij gaat het om een veelheid aan transfers tussen personen. Een bankdirecteur uit Henegouwen draagt evenveel bij als zijn collega uit Antwerpen; een werkloze uit Waals-Brabant krijgt dezelfde uitkering als iemand over de taalgrens. Welnu, VIVES becijferde dat wanneer we dergelijke geldstromen bekijken doorheen een regionale bril, personen uit Vlaanderen zo’n 4 miljard euro meer bijdragen aan de sociale zekerheid dan ze ontvangen. Er zijn met andere woorden meer rechthebbenden in Wallonië en Brussel dan in Vlaanderen, aangezien de toekenningsvoorwaarden overal dezelfde zijn. Zolang we het rechtvaardig vinden dat elke mindervalide, zieke of werkloze dezelfde vergoeding ontvangt in heel België, brengt een ongelijke regionale spreiding van die werkloosheid, ziekte of invaliditeit dus onvermijdelijk interregionale transfers met zich mee. Zetten we echter die regionale bril van VIVES af, en zetten we andere brillen op, dan verandert dat beeld niet. Ongelijke spreiding van werkloosheid of ziekte tussen steden, tussen hoog- en laaggeschoolden, of tussen rijken en armen, zorgen net zo voor transfers. Voor die laatste categorieën lopen de bedragen trouwens een pak hoger op dan de 4 miljard € die we vinden onder de regionale loep van VIVES.
  2. De dotaties van de Bijzondere Financieringswet ten tweede, zijn zo vastgelegd dat ze niet alleen rekening houden met de bijdragen van een regio aan de staatskas, maar ook met specifieke regionale noden. Dit vertrekt vanuit de horizontale gelijkheidsidee, waarbij elke burger los van zijn woonplaats kan rekenen op eenzelfde kwaliteit van regionale overheidsdiensten. Het is dan ook logisch dat we afwijkingen observeren van de ‘juste retour’, d.w.z. dat de dotaties per regio niet geheel proportioneel zijn aan wat die regio bijdraagt.
  3. De uitgaven van de federale overheid tenslotte, kunnen enkel stuk voor stuk geëvalueerd worden. De toewijzing ervan is het resultaat van een ideologisch en communautaire evenwicht binnen regering en parlement. Het kan alleen maar positieve gevolgen hebben voor de werking van onze democratie -en het vertrouwen dat mensen erin hebben- als er door onderzoekers en pers streng wordt toegekeken op de toewijzing van deze middelen, en op de effectiviteit van de aanwending ervan. Het lijkt ons wel onmogelijk die evaluatie te doen louter op basis van de som van transfers tussen regio’s.

De bestaansreden van de transfers zijn duidelijk: ze volgen uit een solidair systeem dat gelijke kansen wil bieden. Natuurlijk zijn er ideologische of efficiëntie-argumenten om te pleiten voor meer of minder solidariteit tussen alle Belgen onderling. En natuurlijk moet er toegekeken worden op een eerlijke toekenning van uitkeringen en middelen. Maar laat ons dan precies daarover debatteren. Blijven we ons daarentegen focussen op de transfers, en op de mogelijke schadelijke effecten ervan, dan dreigen we voorbij te gaan aan de bestaansreden van de overheid en sociale zekerheid zelf. Het enige systeem zonder transfers is er immers een zonder overheid en zonder sociale zekerheid.

3 thoughts on “Over transfers. Nogmaals.”

  1. Helemaal akkoord met de al te tendentieuze nieuwszetting (zoals steeds), maar ik had gehoopt argumenten te vinden tegen de onderliggende boodschap, met name dat jouw kaartje ‘endogeen’ is, en het gevolg van beleidskeuzes die door ‘de transfers’ nog aangemoedigd/in stand gehouden worden.

  2. Beste Jord, bedankt voor je reactie.
    Het is vanzelfsprekend dat die kaart van België endogeen is, maar de vraag blijft dan nog in welke mate ze dat is. Regionale politiek kan voor 1% of voor 100% verantwoordelijk zijn voor de inkomensverschillen, in beide gevallen kunnen we er ons vanaf maken met de stelling dat de regionale inkomensverdeling endogeen is. Dit is dus in se een empirische kwestie. Ik wil ook de argumenten die gebruikt worden om wel te kijken naar transfers niet minimaliseren. Ik ben ervan overtuigd dat het belangrijk is deze te bestuderen, maar in de welvaartsanalyse moeten ze steeds geplaatst worden naast hun 1e orde-effecten. Andere, meer ideologische argumenten, zijn hierboven aangehaald, ook mogelijk, maar dan moeten ze gewoon bij naam genoemd worden.

Laat een reactie achter op Jord Hanus Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *