Hoe krijgen we goede wetenschap? Kiezen tussen overheid en competitie

Het is wellicht wat onkies om enerzijds je blog tongue-in-cheek de naam ‘Ivoren Toren’ mee te geven, en vervolgens ook effectief over het academische reilen en zeilen te gaan zeuren. Niettemin bezondig ik me – alle goede voornemens voor het nieuwe jaar ten spijt – vandaag toch eens aan dergelijke navelstaarderij. Want wanneer het in onze toren drupt, dan plenst het daar buiten.

Concurrentie = efficiëntie? 

Zo ook met de veronderstelling dat competitie het beste in ons naar boven brengt. Met elkaar wedijveren op het scherp van de snee, de zwakste schakels elimineren, en er zo gezamenlijk op vooruit gaan: zo zien we sinds Darwin de wetten der natuur, dus waarom ook niet die van de samenleving? Het is in ieder geval de impliciete redenering achter de manier waarop ons huidige wetenschappelijke systeem functioneert. Indien wetenschappers met elkaar concurreren, zal uit die eindeloze bokswedstrijd als vanzelf het beste onderzoek als overwinnaar uit de bus komen. Meer dan een boksring en enkele onafhankelijke collega’s die als scheidsrechter optreden (peer-reviewers) heeft men verder niet nodig.

In Vlaanderen heet die boksring het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek – FWO voor de vrienden – en daar is competitie koning. Gefinancierd door de Vlaamse Gemeenschap, heeft het FWO jaarlijks een aanzienlijk budget te besteden aan verschillende beurzen en projecten voor wetenschappelijk onderzoek: het gros daarvan gaat naar individuele mandaten voor doctoraatsstudenten, post-doctorale onderzoekers, en onderzoeksprojecten voor professoren. Al deze middelen worden verdeeld op basis van ingezonden onderzoeksvoorstellen die door anonieme peer-reviewers en een roterende FWO-commissie geëvalueerd en gerangschikt worden. Concurrentie tot kunst verheven. Voor wie aan deze sport gehecht is, is het FWO een transparante en goed functionerende instelling. Voor veel anderen is het vaak een bron van frustratie en verspilde tijd.

De kostprijs van competitie

Tijdens de laatste ronde voor onderzoeksprojecten ontving het FWO niet minder dan 1.228 aanvragen. Daarvan werden er 261 (21%) gehonoreerd, samen goed voor een totaal bedrag van 85 miljoen euro. Met andere woorden, 967 professoren of teams van professoren hielden zich het voorbije jaar bezig met het bedenken, inlezen, uitwerken en uitschrijven van een onderzoeksvoorstel dat nooit zal uitgevoerd worden. Aan een bescheiden schatting van één maand voorbereidingswerk per aanvraag, en een bruto loonkost van 5.000 euro per maand, verliest de maatschappij dus 5 miljoen euro investeringen in aanvragen die nooit gehonoreerd zullen worden. Anders gezegd: van de 85 miljoen die het FWO te bedelen heeft, is zo’n slordige 7% al opgesoupeerd nog voor de budgetten verdeeld zijn.

Slaagkansen bij het FWO voor post-docs (blauw), aspiranten (oranje), en onderzoeksprojecten (bruin).
Slaagkansen bij het FWO voor post-docs (blauw), aspiranten (oranje), en onderzoeksprojecten (bruin). FWO Jaarboek 2013.

Met dergelijk lage slaagkansen gaan dus ook hoge kosten gepaard. Ook voor de individuele beurzen liggen de slaagpercentages laag: in 2013 was dat 23% voor doctoraatsbeurzen en 25% voor post-doctorale beurzen. Overigens lagen zes jaar eerder beide percentages nog een volle 10 procentpunten hoger. Een dergelijk hoge kost zou verdedigbaar kunnen zijn indien het zekerheid zou verschaffen dat de selectieprocedure erdoor perfect functioneert. Maar is dat wel zo? Is het wel mogelijk om maar te blijven selecteren en rangschikken tot er slechts een kleine ‘elite’ van ca. 20% overblijft?

Excellentie bepalen

Gaat men dan niet op zoek naar een stok om mee te slaan? Zo gebeurt het bij sommige procedures dat aanvragers van onderzoeksvoorstellen op voorhand contact opnemen met hun potentiële peer-reviewers met de vraag of ze het project de allerhoogste quotering zullen geven. Indien niet, dan worden ze vervangen door andere, meer positief ingestelde peer-reviewers. Immers één peer-reviewer die slechts een “zeer goed” in plaats van een “excellent” aanstipt kan al de doodsteek zijn voor een onderzoeksproject. (Het FWO zelf treedt gelukkig streng op tegen dergelijke praktijken). De concurrentie is dusdanig moordend dat ze zichzelf dreigt te saboteren.

In de toekomst zal de reikwijdte van het FWO enkel vergroten: niet alleen heeft ze in de voorbije jaren heel wat van het onderzoeksbudget van de universiteiten opgeslokt, in de toekomst zullen ook andere financieringskanalen zoals het IWT, Hercules en IUAP onder de vleugels van het FWO verdwijnen. Dringt zich niet langzamerhand een alternatieve manier op om onderzoeksgelden te verdelen? De beleidsnota van de huidige regering heeft het weliswaar over de nood aan een “toename van de middelen,” en “het verhogen van de slaagkansen voor projecten en mandaten,” maar niet over het loslaten van de idee dat extreme competitie ook automatisch tot efficiëntie leidt. Overigens zit de huidige regering daarin ruwweg op dezelfde lijn als de vorige.

De overheid als derde hond

Onderzoekers kunnen blijkbaar wel vertrouwd worden om zelf te beslissen waar onderzoeksgeld heen moet gaan, maar dan enkel als ze dat doen binnen een context van moordende concurrentie. Alternatieve systemen waarbij de competitie afgezwakt wordt, en/of de zelfbeschikking van de onderzoeker vergroot, lijken op weinig steun te kunnen rekenen. Er is bij de overheid dan ook weinig animo voor, bijvoorbeeld, het beperken van de taak van peer-reviewers en experten-commissies tot het scheiden van het kaf van het koren, gevolgd door een eenvoudige loterij. Of voor het toebedelen van kleinere pakketten met minder middelen aan meer onderzoekers (bijvoorbeeld een automatisch onderzoeksproject per professor, elke 5 jaar), naar eigen goeddunken te gebruiken voor nieuw onderzoek.

In tegendeel, het meest waarschijnlijke alternatief is er weliswaar een met minder concurrentie, maar ook met minder inbreng vanuit het onderzoeksveld zelf. In heel Europa worden steeds meer middelen “strategisch” ingezet. Dat is technocratees voor onderzoek op overheidsbestelling. Steeds grotere delen van het budget voor wetenschappelijk onderzoek worden gereserveerd voor dergelijke strategische onderzoeksdoelstellingen, niet bepaald of beslist door onderzoekers, maar door beleidsmakers. Het grote Europese Horizon 2020 financieringskanaal stipuleert bijvoorbeeld zélf welke maatschappelijke uitdagingen zij (de Europese Commissie) als cruciaal ziet en waarvoor ze onderzoekers uitnodigt projectvoorstellen in te dienen. In Londen kan men tegenwoordig niet meer naast het in aanbouw zijnde Francis Crick Institute kijken: een gigantisch nieuw onderzoekscentrum waar “world-class bio-medical research” zal plaats vinden – één van de onderzoeksdomeinen waar het economisch potentieel het meest voor de hand liggend is. Geen wonder dus dat overheden zich uitputten om dergelijke instellingen als paradepaardjes te kunnen opvoeren. Het oprichten van een gelijkaardig “Crick of the North” in Manchester omwille van zuiver politieke redenen, schoot heel wat wetenschappers dan ook in het verkeerde keelgat.

Ook in Vlaanderen zien we steeds vaker een tendens om onderzoeksbudgetten reeds op voorhand te oormerken voor strategische (vaak economische) doelstellingen. Grotere onderzoekscentra met meer controle over hun eigen middelen vormen een mogelijk alternatief voor de uitputtende concurrentiestrijd die het FWO momenteel biedt, maar tegelijkertijd kunnen ze een bedreiging zijn voor de onafhankelijkheid van de wetenschap. Is het werkelijk aan de regering om te beslissen of het Centrum voor Sociaal Beleid belangrijker is dan het Instituut voor Tropische Geneeskunde? En waardoor mag en moet ze zich dan laten leiden?

Met andere woorden: indien wetenschappelijke onderzoekers zelf de zeggenschap willen houden over de verdeling van hun middelen, moet dringend, en ernstig, nagedacht worden over verdelingsmechanismen die zowel efficiënter als menselijker zijn dan de huidige eindeloze concurrentieslag.

One thought on “Hoe krijgen we goede wetenschap? Kiezen tussen overheid en competitie”

  1. Het gemiddelde bruto-loon van een ZAP-er zal gemakkelijk rond de 5000 euro per maand liggen, dus voor de loonkost mag je daar 30% bij optellen. Neem dan nog de overheadkost van pakweg 50% en je komt uit bij een verloren kost per projectvoorstel van net geen 10.000 euro. Als je ook nog eens de kost aan FWO-kant en de tijd van de reviewers meerekent, dan ga je vlot boven de 10 miljoen verloren kost gaan!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *