Mythes en feiten omtrent de Belgische werkloosheidsverzekering

Uitkeringen voor gezonde burgers op actieve leeftijd, werkloosheidsuitkeringen en sociale bijstandsuitkeringen (het leefloon) zijn niet populair. Enquêtes wijzen keer op keer uit dat mensen het minst bereid zijn om solidair te zijn met gezonde werklozen. 1 (Tim Reeskens beschreef op deze website overigens mooi hoe er binnen die groep van werklozen nog een verder onderscheid wordt gemaakt tussen zij die steun verdienen en zij die dat niet verdienen.) Bovendien leeft in de hoofden van veel mensen een wij-zij dichotomie: wie hard werkt betaalt voor wie zich wentelt in de hangmat van de werkloosheid waar men kan genieten van hoge uitkeringen; het sociaal profitariaat in actie.

Ook politici bezondigen zich vaak aan het creëren van een negatieve perceptie rond de Belgische werkloosheidsverzekering. Vaak wordt daarbij verwezen naar het aantal werklozen en dito uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen die in ons land buitensporig hoog zouden zijn. Denk aan Open-VLD’er Rik Daems (foto) die in 2013 in een opiniestuk in De Morgen het volgende schreef:

Momenteel zijn er 559.000 werklozen in België, waarvan 417.000 uitkeringsgerechtigd. Dit kost de samenleving 8,9 miljard euro of maar liefst 25 procent van de personenbelasting, waar in de perceptie niets tegenover staat. Dat bedreigt het draagvlak voor onze solidariteit.

Of Bart De Wever (N-VA) die voor de verkiezingen in Trends verklaarde dat we “in bbp-termen twee keer meer uitgeven aan arbeidsmarktbeleid dan onze buurlanden; dan heb je toch een probleem.” Er moet dus hervormd worden, en vaak komt daarbij de onbeperktheid in de tijd van de werkloosheidsuitkeringen in het vizier. In een interview met De Standaard stelde Ben Weyts (N-VA) bijvoorbeeld dat het beperken van de uitkeringen in de tijd een ‘gigantische besparing’ zou opleveren.

Onderliggende boodschap: het feit dat de werkloosheidsuitkeringen onbeperkt zijn in de tijd, een unicum binnen de groep ontwikkelde welvaartsstaten, zorgt ervoor dat er teveel werklozen zijn, en dat kunnen wij niet langer betalen. Of om het met UNIZO te zeggen: “te veel mensen komen in de hangmat van de uitkeringsstaat terecht“. Maar klopt dat wel? In deze blogpost wil ik deze vragen cijfermatig en genuanceerd behandelen. Recente studies van de OESO laten toe om de perceptie aan de feiten te toetsen: wat is feit en wat is mythe?

Kent België (te) veel uitkeringstrekkers?

Werkloosheidsuitkeringen die onbeperkt zijn in de tijd, zorgt dat voor veel werklozen die afhankelijk zijn van een uitkering? Om dat na te gaan is het raadzaam om de Belgische werkloosheid in vergelijkend perspectief te plaatsen. Paneel A van figuur 1 toont het aandeel van de niet-werkenden die een werkloosheidsuitkering ontvangen binnen de populatie van ‘actieven’ (tussen 15 en 64 jaar) in 2010. Let op: het gaat niet om de werkloosheidsgraad maar om werklozen die een uitkering ontvangen. Met een aandeel van 3,9% steekt België er niet bijzonder bovenuit. België kende in 2010 een lager aandeel werklozen die afhankelijk zijn van een uitkering dan usual suspects Frankrijk en Spanje, maar ook dan Ijsland, Finland, Verenigde Staten, Australië en Ierland.

Bron: OECD (2014) - Society at a glance - http://dx.doi.org/10.1787/888932966542

FIGUUR 1 – Bron: OECD (2014) – Society at a glance.

Paneel B toont de evolutie sinds 2007, en daar zien we dat veel van de landen die nu meer werklozen hebben die afhankelijk zijn van een uitkering over het algemeen zwaar zijn getroffen door de crisis. België is de crisis erg goed doorgekomen; het aandeel ontvangers van een werkloosheidsuitkering is zelfs lichtjes gedaald. Dit impliceert uiteraard dat België in 2007 samen met Frankrijk en Australië wel aan de top stond.  Het is dus waar dat de werkloosheidscijfers hoog waren voor de crisis, maar in geen geval is België een uitzondering in het Europese peloton.

Het is ook waar dat België een relatief groot aandeel langdurig werklozen kent, dat zijn werklozen die langer dan 1 jaar werkloos zijn. Maar ook hier geldt dat België geen uitzondering is. Figuur 2 toont het aandeel langdurig werklozen van het totaal aantal werklozen. In 2010 hebben Ierland, Hongarije, Portugal en Slovakije een groter aandeel langdurig werklozen dan België. Hoewel de grafiek laat zien dat de crisis een belangrijke rol speelde in sommige landen, voerde België ook in 2007 de lijst niet aan: het aandeel langdurig werklozen was groter in Duitsland, Tsjechië en Slovakije. Het feit dat de uitkeringen onbeperkt zijn in de tijd lijkt dus niet samen te gaan met een uitzonderlijk hoog aandeel langdurig werklozen.

FIGUUR 2 – Bron: OECD (2013) – Employment and labour markets key tables.

Kanttekening is wel dat het vergelijken van specifieke uitkeringsstelsels altijd een risico inhoudt, omdat sociale rechten van burgers niet in elk land op dezelfde manier gedefinieerd worden (wie in België in de werkloosheidsverzekering zit, belandt elders misschien in een ander stelsel) en omdat er transities bestaan tussen uitkeringsstelsels (van werkloosheid naar sociale bijstand, of van werkloosheid naar ziekteverzekering).

Kent België (te) veel leefloners?

De OESO-data laten toe om onze analyse te vervolledigen met het aantal mensen die afhankelijk zijn van een uitkering in de sociale bijstand (in België het leefloon). Dat is relevant om twee redenen. Ten eerste werd de maximale werkloosheidsduur in heel wat landen ingekort in de voorbije decennia.  In Zweden, bijvoorbeeld, waren de werkloosheidsuitkeringen in 1995 nog de facto onbeperkt in de tijd; nu zijn ze beperkt tot 300 dagen. Wie geen rechten meer heeft binnen het stelsel van de werkloosheidsverzekering stroomt dan over het algemeen door naar het sociale bijstandsstelsel waar men eventueel aanspraak kan maken op een uitkering (indien er voldaan wordt aan de voorwaarden). In België zijn de werkloosheidsuitkeringen onbeperkt in de tijd, en men zou dan ook verwachten dat er minder mensen doorstromen naar de sociale bijstand.

Ten tweede omdat de sociale bijstand en het OCMW cliënteel vaak in het vizier komen als de goegemeente zijn gal spuwt over het profitariaat. Ook hier dragen politici bij aan een negatieve perceptie. Men denke aan Marijn “Balthasar Boma” Devalck die bij zijn aanstelling tot OCMW-voorzitter in Brakel zijn gedacht zei: “De tijd van het profitariaat is voorbij“. Hij werd fluks bijgetreden door Herman Decroo: “Sommige mensen zitten een hele dag op café, en komen dan naar het OCMW.” Wars van alle clichés, hoe zit het juist met het aantal mensen die afhankelijk zijn van een leefloon?

Bron: OECD (2014) - Society at a glance - http://dx.doi.org/10.1787/888932966542
FIGUUR 3 – Bron: OECD (2014) – Society at a glance.

Figuur 3 toont het aandeel ontvangers van een uitkering in de sociale bijstand (en andere vormen van financiële hulp buiten de werkloosheidsverzekering 2) in Europese landen. In 2010 was het aandeel ontvangers van een bijstandsuitkering binnen de bevolking op actieve leeftijd in België met 1,3% erg klein in vergelijking met andere Europese welvaartsstaten. Bovendien was ook hier het effect van de crisis beperkt in België. Landen als Denemarken en vooral Zweden waar het aandeel ontvangers van een werkloosheidsuitkering relatief laag is, noteren een relatief hoog aandeel ontvangers van een sociale bijstandsuitkering.

Werkloosheidsuitkeringen die onbeperkt zijn in de tijd lijken dus samen te gaan met een laag aandeel personen die afhankelijk zijn van een uitkering in het stelsel van de sociale bijstand.

Wanneer we het totale aantal ontvangers van werkloosheid- en sociale bijstandsuitkeringen onder de loep nemen, dan lijkt België maar weinig gemeen te hebben met het cliché van de uitkeringsstaat. Figuur 4 toont een eenvoudige optelsom van de twee stelsels, en dat leert ons dat in België relatief weinig personen op actieve leeftijd afhankelijk zijn een uitkering. Dit toont ook aan hoe belangrijk het is om specifieke uitkeringsstelsels niet in isolement te bekijken.

Bron: OECD (2014) – Society at a glance.
FIGUUR 4 – Bron: OECD (2014) – Society at a glance.

 

Zijn de werkloosheidsuitkeringen (te) hoog?

Als mensen spreken over uitkeringen als een hangmat, impliceren ze dat deze uitkeringen te hoog zijn; ze laten toe om comfortabel te leven zonder dat men zich de inspanning moet getroosten naar werk te zoeken. Wat dit laatste betreft: werkbereidheid is altijd al onderdeel geweest van zowel de werkloosheidsverzekering als van de sociale bijstand. Recente hervormingen binnen de werkloosheid hebben  voor een striktere opvolging van de zoekinspanningen van werkzoekenden gezorgd.  Maar hoe zit het met de generositeit van de uitkeringen?

Figuur 5 toont de gemiddelde netto vervangingsgraad (dat is de hoogte van de werkloosheidsuitkering uitgedrukt als een percentage van het inkomen voor de start van de werkloosheid) in OESO-landen in 2011. Met een vervangingsgraad van om en bij de 70% bij de start van de werkloosheid is België niet bijzonder genereus in vergelijkend perspectief. De daling van de vervangingsgraad voor langdurig werklozen is in het Belgische stelsel minder sterk dan in veel andere landen, maar ook wat de generositeit voor langdurig werklozen betreft neemt ons land slechts een middenpositie in.

Bron: OECD, Tax-Benefit Models - http://www.oecd.org/els/social/workincentives
FIGUUR 5 – Bron: OECD, Tax-Benefit Models.

Figuur 5 toont een gemiddelde netto vervangingsgraad, maar de werkelijke vervangingsgraad hangt af van de gezinssamenstelling en het laatst verdiende loon en kan dus per geval erg verschillen. Een andere manier om de vraag naar de generositeit van de uitkering te benaderen is door de vervangingsgraad van een specifiek typegezin te analyseren over tijd en in vergelijkend perspectief.

Figuur 6 toont voor een koppel met twee kinderen hoe hun inkomen verandert naargelang zij een beroep blijven doen op uitkeringen over een periode van vijf jaar, in vier landen voor het jaar 2012. In Denemarken en Nederland toont de figuur een felle daling van de vervangingsgraad op het moment dat men niet langer in aanmerking komt voor een werkloosheidsuitkering: in Nederland is dit na 22 maanden, en in Denemarken na twee jaar. Opvallend is dat de werkloosheidsuitkering voor dit typegezin in België zelfs lager ligt dan de inkomens die men in Nederland, Zweden en Denemarken krijgt in de sociale bijstand.

FIGUUR 7 - Een uitgebreide bespreking van de onderliggende assumpties wordt hier gegeven. Bron: OECD Benefits and wages: statistics.
FIGUUR 6 – Een uitgebreide bespreking van de onderliggende assumpties wordt hier gegeven. Bron: OECD Benefits and wages: statistics.

Bovendien dateert de figuur van voor de versterking van de degressiviteit, beslist door de regering Di Rupo en gradueel in werking getreden vanaf 2012. Wie nu langdurig werkloos is komt dus sneller op een lager uitkeringsbedrag terecht. Bovendien weten we dat de minima in de werkloosheidsverzekering (het minimale bedrag waar men na verloop van tijd op terugvalt) niet volstaan om boven de armoedegrens te blijven. Kortom, Het feit dat de uitkeringen onbeperkt zijn in de tijd gaat dus niet samen met een hoog niveau van uitkeringen.

Is de Belgische werkloosheid (te) duur?

Een laatste bewering die ik aan de feiten wil toetsen is dat het Belgische stelsel van de werkloosheidsverzekering duur is. Figuur 7 toont hoeveel landen spenderen aan werkloosheidsuitkeringen (brugpensioen incluis), uitgedrukt in % van het BBP. België spendeert het meest van alle OESO-landen, en dat is gerelateerd aan het feit dat de uitkeringen onbeperkt zijn in de tijd.

FIGUUR 7 - Bron: OECD Social expenditures database.
FIGUUR 7 – Bron: OECD Social expenditures database.

We geven dus inderdaad veel uit aan werkloosheidsuitkeringen, maar de keerzijde van de medaille is dat we minder uitgeven aan pakweg sociale bijstandsuitkeringen en invaliditeitsuitkeringen. Opnieuw is het belangrijk het totale plaatje in ogenschouw te nemen. Figuur 8 toont het totaal volume aan uitgaven voor cash uitkeringen zonder pensioenen, uitgedrukt in % van het BBP: België scoort nog steeds hoog, maar is geen uitzondering meer in het Europese pak.

FIGUUR 8 – Uitgaven omvatten invaliditeits- en ziekte-uitkeringen, werkloosheidsuitkeringen, kinderbijslagen en sociale bijstandsuitkeringen. Klik hier voor meer informatie. Bron: OECD.

Conclusie

Het is een mythe dat werkloosheidsuitkeringen die onbeperkt zijn in de tijd samengaan met hoge uitkeringen en een bijzonder hoog aantal werklozen. Het is een feit dat zo’n stelsel veel geld kost. Een particulier uitkeringsstelsel in isolatie analyseren houdt echter gevaren in, want in andere landen waar de uitkeringen wel beperkt zijn in de tijd stromen mensen door naar andere uitkeringsstelsels zoals het leefloon. België kent in vergelijkend perspectief erg weinig mensen die afhankelijk zijn van een leefloon.

Dat is een belangrijke les voor politici die pleiten voor een hervorming van de werkloosheidsverzekering en daarbij de uitkeringen in de tijd willen beperken: uitkeringsstelsels fungeren als het ware als communicerende vaten. Het is bijvoorbeeld de vrees van OCMW’s dat zij de kosten zullen dragen van een verdere verstrenging binnen de werkloosheidsverzekering. Bovendien zal niet iedereen die uit het stelsel van de werkloosheid valt aankloppen bij het OCMW. Sommige omdat ze voldoende middelen hebben; anderen omdat ze de weg niet vinden.

Dat is mijns inziens het voordeel van de onbeperktheid in de tijd: mensen blijven gevat in een systeem waar je ze kunt opvolgen en naar werk kunt begeleiden. Als ze uit het stelsel van de werkloosheid vallen maar niet aankloppen bij het OCMW heb je er geen vat meer op en kun je ze ook niet meer naar de arbeidsmarkt toeleiden. Dat wil niet zeggen dat er van hervormingen absoluut geen sprake kan zijn; voor een dergelijk groot volume aan uitgaven zijn de uitkeringen immers laag en dat noopt ons tot reflectie over hoe we de uitgaven in de toekomst doelmatiger kunnen aanwenden.

Van een beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd kunnen we echter geen wonderen verwachten, noch wat het effect op het aantal werklozen noch wat budgettaire winst betreft.

Share on LinkedIn5Tweet about this on TwitterShare on Facebook42

Notes:

  1. Zie bijvoorbeeld het onderzoek van Wim van Oorschot hieromtrent.
  2. Voorwaarden en definities van de sociale bijstandsuitkeringen kunnen verschillen van land tot land. Klik hier voor gedetailleerde informatie en definities.

8 gedachten over “Mythes en feiten omtrent de Belgische werkloosheidsverzekering”

  1. Wim,

    Sterk en overtuigend stuk.

    Eén aspect waar je, denk ik, iets te snel over gaat zijn de rol van minima en maxima in de werkloosheidsuitkeringen. Doordat deze zo dicht bij elkaar liggen spelen de vervangingsratio’s maar een erg beperkte rol in België. Ik heb snel eens berekend voor wie de vervangingsratio’s van belang zijn, in 2012 (met eenvoudig gemiddelde van min. en max. voor de duurtijd van de werkloosheid, geen rekening houdend met anciënniteit).

    Alleenstaanden: € 1555 – € 2162 bruto per maand
    Gezinshoofd: € 2005 – € 2443
    Samenwonende: € 1122 – € 1947

    Iedereen met een inkomen onder de ondergrens valt terug op het minimum, iedereen boven de bovengrens op het maximum. Ik weet dat dit systeem radicaal anders is in bv Duitsland waar de min. en max. geen rol (of een veel kleinere rol) spelen.

    Mijn vraag: in je conclusie schrijf je dat voor de hoge budgettaire kost de uitkeringen laag zijn, en dat we moeten nadenken hoe dit op te lossen, maar welke oplossing zie je dan, gegeven
    (1) dat de minima en maxima al zo dicht bij elkaar liggen,
    (2) dat de bereidheid tot bijdrage tot de sociale zekerheid mee samengaat met de universaliteit (toch een van je stokpaardjes ;)),
    (3) dat de participatie-aanslagvoeten (dit is de averechtse financiële prikkel om te gaan werken tov het ontvangen van een werkloosheidsvergoeding) nog zou toenemen bij hogere minima…
    vraagteken 🙂

  2. Dag Toon,

    Bedankt voor je reactie!

    Het is helemaal juist dat de spanning tussen minima en maxima in B. klein is. Onze werkloosheidsverzekering is minder en minder een verzekering om de verworven levensstandaard te behouden, en meer en meer een solidariteitsmechanisme tussen zij die bijdragen en zij die dat niet doen. Dat hangt samen met een toenemende voorspelbaarheid van het risico op werkloosheid.

    Vanuit die logica zijn hogere minima gekoppeld aan strenge maar sociale activering (rekening houdend met gezinssituatie, beschikbaarheid van kinderopvang, openbaar vervoer, beschikbaarheid op regionale arbeidsmarkt etc) misschien wel de manier om de uitgaven doelmatiger in te zetten; beetje de Deense manier. Dat is ook de weg die men met de hervormingen Di Rupo heeft proberen te bewandelen (hogere uitkeringen in 1e fase, met dan een negatieve financiële prikkel om werk aan te moedigen), maar de degressiviteit lijkt net niet de juiste incentive om werken aan te moedigen. En bovendien is het maar de vraag in hoeverre er nog winsten te behalen vallen met meer activering (er zijn alleszins grenzen aan, vraag is waar de grenzen liggen). Een andere, meer radicale en omgekeerde weg om te bewandelen is in de richting van een basisinkomen, waarbij hogere minima niet gepaard gaan met voorwaarden om te werken. Maar dat heeft dan weer andere problemen en kan niet in isolatie toegepast worden op een specifiek uitkeringssysteem. Maar daarover meer in een latere blogpost. 🙂

    De vraag is ook in hoeverre het design van een specifiek instrument om aan inkomensbescherming te doen leidt tot meer of minder bereidheid tot solidariteit in het algemeen. We weten daar eigenlijk maar weinig over.

    In ieder geval: hoe de middelen doelmatiger in te zetten is waar het debat zou moeten overgaan, niet per se over de al dan niet beperking in de tijd van de uitkeringen.

  3. Een van mijn bedenkingen bij de analyse : hoe zit het met zwartwerk?
    En over moeten stappen van werkloosheidsuitkering naar leefloon na aantal jaren, zoals in Denemarken en meeste andere landen, impliceert ook wel een veel lagere uitkering dan werkloosheidsuitkering ? Dus heeft dat toch ook effect op budgetten?
    Feit is, er zijn absoluut mensen die nood hebben aan ondersteuning, maar we kennen als Belg állemaal, zonder uitzondering, op zijn minst een aantal mensen die onterecht doppen (en daarbij niet zelden ook zwartwerken) of op een vorm van invaliditeit zitten. Ik ken er zonder nadenken in mijn onmiddellijke omgeving al 5 die ik dan nog enkel laatste jaren leerde kennen, dus vers in geheugen zitten,…. Die wíllen gewoon echt niet werken en kennen de trucs om VDAB telkens te misleiden en te bespelen, ze vertellen me dat zelfs,.. Het is lekker makkelijk zo, Mensen die zwartwerken allemaal trouwens daarenboven (soms zware arbeid) en tegelijk deels op invaliditeit staan, of gewoon werkloosheidsuitkering. En niet een jaar maar al 10 jaar of meer…
    Geef mij het Deense model maar. Max 2 jaar aan 90% laatste wedde, daarna leefloon, maar allemaal pas nadat je werkelijk gewerkt hebt, en leefloon onder ook strenge voorwaarden van hoe lang je hier al bent en wat je hier al gepresteerd hebt, Zo werkt het in Denemarken en dat land is niet slecht bezig, me dunkt?
    Zelf ben ik al enkele malen ook plots heavy neergesmeten door omdtandigheden, maar ik heb geen dag gedopt, mijn pa ook nlet. We hebben schitterende carrières gehad en ik ben daarvoor ook een hoger opgeleid, maar ik ben ervan overtuigd dat de reden waarom wij nooit van uitkeringen afhankelijk werden, is dat wij ons nooit te goed hebben gevoeld om onder ons niveau of in ‘minder’ aantrekkelijke jobs ons toch te smijten, nadien kwam altijd de mooie kans en carriere terug. Ik wílde geen uitkering en mijn pa ook niet.
    Dat helpt ontzettend, noem het trots of fierheid, maar het werkt.
    Er is altijd ergens een mogelijkheid als je wíl,
    Toch wil ik nog benadrukken dat ik erg pro solidariteit en werkloosheidsuitkeringen ben, en dat een vangnetsysteem absoluut nodig is, maar dan wel beperkt in tijd en aangepast aan de persoon en omstandigheden, en niet zoals het nu gebeurt in België….

  4. “maar de degressiviteit lijkt net niet de juiste incentive om werken aan te moedigen”. (antwoord Wim Van Lancker op Toon Vanheukelom)
    Nochtans lijkt dit net een argument te zijn voor sommige beleidsmakers om de beperking van de uitkering in de tijd te bepleiten. Zoals onlangs nog kamerlid Zuhal Demir: ‘We moeten met extra hervormingen werklozen prikkelen om een baan te zoeken,’ zegt ze. ‘Als ze merken dat ze de rekeningen niet langer kunnen betalen, zullen ze harder hun best doen.” (De Tijd, 04/02/2015)
    Terwijl oud-premier Di Rupo dan weer de verstrenging van de inschakelingsuitkering betreurt: ‘We waren ervan overtuigd dat dit jongeren zou toelaten om werk te vinden, we moeten de moed hebben om te erkennen dat dit een vergissing was.’ (De Standaard, 06/02/2015)
    Het lijkt erop dat onze beleidsmakers niet goed weten of beperken van een uitkering het zoekgedrag naar werk nu bevordert dan wel ontmoedigt.
    Wat kan hierover vanuit wetenschappelijke hoek ingebracht worden? Een antwoord hierop lijkt me noodzakelijk vooraleer onze beleidsmakers beslissingen nemen die duizenden mensen treffen, zoals met de inschakelingsuitkering is gebeurd. Maar blijkbaar worden in ons land dergelijke beslissingen genomen (zie Di Rupo) op basis van “buikgevoel” en niet “evidence based”.

  5. als de regering nu eens moest zorgen dat er 600.000 jobs komen dan zouden er geen werklozen meer zijn !!!!!
    het altijd op de doppers steken is dikke zever er zijn wel profiteurs ook dat hoor je mij niet zeggen
    maar dat de regering ons altijd maar beloftes over jobs die ze al jaren lang beloven hee awel waar zijn ze !!!!!
    plus dat ze op alles zitten te besparen!!!!
    jobs crieeeren kost , ook geld !!!!

  6. En ondertussen blijft de staat belastingsdeals geven aan multinationals. Hoe kunnen gemotiveerde zelfstandige belgen concurreren tegen dergelijke monsters? De staat geeft constant cadeau’s aan het grootkapitaal en legt de lasten bij de modale burger. Het is triest dat ons sociaal stelsel nu onder vuur komt wanneer het jarenlang een nationale trots was.

  7. Ik was na mijn 50-ste tot mijn 65-ste door een combinatie van adverse omstandigheden niet meer in staat een baan te krijgen waarmee ik mijn primaire behoeften kon dekken. Ik deed het dus met een dop tussen de 20000bf (1994)en de 850€ (2010) tot mijn pensioen. Met alle moeilijkheden van behoeftigheid onder de armoedegrens vandien.

  8. Waarom in een land als Belgie , met om en bij de 600.000 doppers, nog Oosteuropese arbeiders invoeren om te werken in : de bouw, transport, zorg, poetsdiensten, landbouw, tuinbouw, industrie, logistiek… Omdat die 600.000 Belgie te lui zijn om te werken. Een Belgische dopper kost de staat aan uitkeringen én aan gemiste sociale bijdragen én gemiste belastingen rond de 35.000 € per jaar. Totale kostenplaatje… om en bij de 20 miljard € per jaar. Jawadde… de kaasschaafmethode in Belgie om de begroting op koers te houden…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *