Vlaanderen wordt een dorp, ook de steden treffen schuld

De meeste steden in Vlaanderen hebben de afgelopen twee decennia sterk aan aantrekkingskracht gewonnen. Hun gestegen populariteit hebben ze te danken aan verschillende factoren. De diensteneconomie heeft zich in de binnensteden gevestigd, dichtbij klanten en werknemers, het openbaar vervoer in en tussen steden is uitgebreid, buurten zijn opgewaardeerd, de centra zijn verkeersluw geworden en de criminaliteitscijfers zijn gedaald, om er enkele te noemen.

Het is een goede zaak voor mens en milieu dat meer mensen in verstedelijkte kernen willen wonen. Dit betekent dat er minder open ruimte (natuur of landbouw) verdwijnt, dat de pendeltijd wordt ingeperkt en dat er minder wagens op de weg zijn, en dat nieuwe publieke en private investeringen een hoger rendement kunnen halen door de hogere bevolkingsdichtheid. Bovendien kunnen ook de belastingen dalen als meer mensen voor de stad kiezen. Een huis buiten verstedelijkt gebied kost de belastingbetaler zo’n 2000 euro per jaar meer, voornamelijk door de veel lagere efficiëntie van nutsvoorzieningen en andere publieke goederen in landelijke regio’s.

Het is dan ook onbegrijpelijk waarom Vlaanderen de verdere verkaveling nog geen halt heeft toegeroepen. Ondanks het devies van verdichting en -meer recent- van inbreiding, moeten we vaststellen dat sinds 2000 de nieuwe woningen in Vlaanderen gemiddeld nog meer open ruimte hebben ingenomen dan de bestaande woningen ervoor al innamen. Maar 16 gemeenten hebben sinds 2000 hun dichtheid (aantal personen per oppervlakte woongebied) verhoogd.

Op Baarle-Hertog na gaat het om gemeenten grenzend aan Brussel, Antwerpen en Gent. De bijna 300 andere gemeenten zagen hun woondichtheid daarentegen afnemen. Ook de Vlaamse centrumsteden verlaagden hun densiteit, al moet gezegd dat die uitbreiding voor Leuven en Mechelen wel “stedelijk” bleef. Steden als Hasselt en Roeselare zijn veel minder verdicht. Genk, Beveren en Tienen scoren nog veel lager en komen aan een gemiddelde dat meer op dat van landelijke gemeenten lijkt. De plattelandsgemeenten scoren zonder uitzondering bijzonder laag qua verdichting (zie figuur).

Woondichtheid in Vlaanderen (personen per hectare woongebied)

Bron: FOD Economie, eigen berekeningen

Ik zoom even in op de regio rond Leuven. Voor iedere hectare woongebied die er in Leuven sinds 2000 bijkwam, groeide de bevolking met een kleine 60 inwoners (netto, zonder studenten). Dat betekent een groei met een iets lagere dichtheid dan de dichtheid die Leuven voordien kende, en een lagere densiteit dan Gent (85) en Antwerpen (172). Leuven scoort veel hoger dan haar buurgemeenten, waarvan Herent de hoogste verdichting kende (26 inwoners per extra hectare woongebied), gevolgd door Bierbeek met 21 inwoners en Bertem met 20 inwoners. De andere gemeenten liggen daar ver onder, met Oud-Heverlee en Lubbeek maar 7 en 8 inwoners per hectare nieuw woongebied. In de figuur toon ik hoe hoog de dichtheid (uitgedrukt in vierkante meter per persoon) was in 2000, en hoe hoog de dichtheid is van de nieuwe woongebieden. In geel zijn alle gemeenten in het Leuvense arrondissement weergegeven, en ter vergelijking in het blauw nog enkele grote Vlaamse steden.

2016-12-01-20_19_24-grafieken-xlsx-excel

De gevolgen van dit beleid zijn groot: voor ieder gezin van vier personen dat kiest voor een woning buiten Leuven, gaat gemiddeld een half voetbalveld (2300 m²) natuur of landbouwgrond verloren. Als dat gezin naar Lubbeek of Oud-Heverlee zou trekken is dat verlies gemiddeld zelfs dubbel zo groot. Nog ter illustratie: mochten er 6500 inwoners in Leuven zijn komen wonen, in plaats van in de randgemeenten (dit is iets meer dan de helft van de bevolkingstoename van Leuven sinds 2000), dan zou dit ongeveer de volledige oppervlakte binnen de Leuvense ring aan open ruimte bespaard hebben (zo’n 390 hectare)!

Het Vlaams Gewest, de landelijke gemeenten, maar zeker ook de steden hebben boter op het hoofd. Minder kapitaalkrachtige gezinnen die nu in de steden willen wonen, kunnen dat in toenemende mate niet meer door doordat prijzen te hoog zijn. Die hoge prijzen zijn enerzijds het gevolg van het succes van steden, maar net zo van hun te lage aanbod van stadswoningen. Steden groeien wel, maar veel te traag om de toegenomen vraag op te vangen. Daarnaast is ook de prijs van wonen op het platteland te laag, wat maakt dat (groot) wonen buiten verstedelijkt gebied een (te) aantrekkelijk alternatief blijft.

We kunnen het roer omgooien door de volgende twee maatregelen. Ten eerste moet het woningaanbod in steden en verstedelijkte gebieden sterk worden uitgebreid. Dat kan door een versoepeling van de bouwvoorschriften, maar zeker ook door een verstandige herallocatie van landbouwgrond rond verstedelijkte gebieden tot woongebied. Ten tweede moeten de vele maatschappelijke kosten van het wonen op het platteland zo volledig mogelijk verrekend worden in de prijs. Het gaat hierbij om de prijs van de nutsvoorzieningen, de publieke kost van transport (congestie en milieukost), en de publieke kost van het innemen van open ruimte. Alleen op deze manier kunnen we verhinderen dat wonen in de stad alleen nog maar is weggelegd voor de betere middenklasse.

 

 

 

 

Methodologie: Ik berekende per gemeente de dichtheid als aantal inwoners per hectare woongebied, dus de oppervlakte van alle huizen en tuinen. De straten nodig om al de huizen te verbinden zijn niet meegerekend. Ik doe dit in het jaar 2000, en ik bereken de dichtheid van de “netto”-woonuitbreiding tussen 2000 en 2015, m.a.w. de verhouding tussen de bevolkingstoename (of -afname) en de toename van het woongebied. Als de gemeente naast woongebiedsuitbreiding, ook aan verdichting in bestaand gebied doet, dan wordt dit mee opgenomen in de statistiek. Strikt theoretisch zijn er andere definities van dichtheid, maar deze indicator is, naast een graadmeter voor de efficiëntie waarmee inwoners open ruimte benutten, indirect ook een indicator voor andere vormen van dichtheid en verstedelijking. Woninggebied dat dichter bebouwd is, zal -gemiddeld genomen- ook dichter tegen de stads- of dorpskern aanliggen dan dunner bebouwd woongebied.

 

Share on LinkedIn0Tweet about this on TwitterShare on Facebook4

2 gedachten over “Vlaanderen wordt een dorp, ook de steden treffen schuld”

  1. “Ten eerste moet het woningaanbod in steden en verstedelijkte gebieden sterk worden uitgebreid. Dat kan door een versoepeling van de bouwvoorschriften, maar zeker ook door omvorming van landbouwgrond rond verstedelijkte gebieden tot woongebied.” Interessant is dat we in Leuven net zo’n case hebben waar vooral aan de groene kant veel verzet tegen is, net met als argument dat dergelijke bouwprojecten “de open ruimte laten verdwijnen” (http://www.parkveld.org/). Begrijp ik je tekst dan goed dat zo’n project net het omgekeerde effect zou hebben (méér behoud van open ruimte, zij het op een andere plaats)?

    1. Je begrijpt me heel goed, Jeroen.
      Mijn werkmap heet… “Parkveld”. Dat gezegd zijnde, ik wil me niet uitspreken over één dossier, al was dit dossier voor mij dus wel de aanleiding voor mijn analyse.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *