Dertig jaar inkomensverdeling in België

België is een land met weinig inkomensongelijkheid, en bovendien is die lage ongelijkheid al jaren stabiel. Dat is de conventional wisdom omtrent de inkomensverdeling in ons land. En die is juist. In het voorbije decennium is de inkomensongelijkheid gemeten door de Gini-coëfficiënt stabiel gebleven rond een waarde van 0.26; in het gezelschap van de Scandinavische landen, Tsjechië, Slovakije en Slovenië behoren we daarmee tot de best presterende rijke landen.

Maar dat is niet het volledige verhaal. Inkomensongelijkheid gemeten door middel van de Gini-coëfficiënt is een specifieke manier om naar de verdeling van de inkomens te kijken. De verdeling wordt samengevat in één cijfer en het is niet altijd mogelijk om veranderingen bij de laagste inkomens en de topinkomens door deze maatstaf accuraat te vatten. Bovendien gaan de publiek beschikbare data maar tien jaar terug.

Er kan echter ook door een andere bril naar de inkomensverdeling worden gekeken. Thomas Piketty bijvoorbeeld, focust op basis van fiscale statistieken op de inkomens aan de top. Wie in armoede geïnteresseerd is zal meer geneigd zijn om naar de verdeling van de inkomens aan de onderkant te kijken. In deze blogpost wil ik het blikveld verruimen door de volledige verdeling van de inkomens in ogenschouw te nemen (zoals ik eerder al deed voor de inkomensverdeling tijdens de crisisjaren), over de voorbije dertig jaar. Deze bijkomende stukjes van de inkomenspuzzel dragen bij een beter begrip van de evolutie in de inkomensverdeling over de tijd heen, en vooral wie de welvaart zag toenemen.

Wie profiteert van de inkomensgroei?

In de voorbije dertig jaar zijn we als collectief behoorlijk wat rijker geworden. Maar hoe vertaalt die toegenomen rijkdom zich in de levensstandaard van gezinnen? En welke gezinnen profiteren het meest? Om dat in beeld te brengen toon ik in figuur 1 een zogenaamde ‘Groei incidentie curve’ (GIC) van de Belgische inkomens tussen 1985 en 2013. Dergelijke curves tonen de reële groei van de inkomens in een bepaalde periode over de ganse inkomensverdeling en laten toe in detail te bekijken welke inkomensgroepen in de samenleving de sterkste toename van het inkomen hebben gekend.

Ter verduidelijking: de grafiek toont de procentuele toename van de jaarlijkse netto beschikbare gezinsinkomens van Belgische gezinnen. Dat is het inkomen dat mensen te besteden hebben, dus nadat belastingen zijn afgetrokken en eventuele uitkeringen zijn bijgeteld. Over zo’n lange tijdsspanne is de samenstelling van de gezinnen sterk veranderd. Daarom worden de netto beschikbaar inkomens gecorrigeerd (‘equivalent gemaakt’) om de inkomens van gezinnen van verschillende grootte onderling en over de tijd heen vergelijkbaar te maken. De inkomens worden uitgedrukt in prijzen van 2013, dat wil zeggen dat er rekening wordt gehouden met de stijging van de levensduurte. In de grafiek worden de Belgen ingedeeld in percentielen: elk percentiel komt overeen met 1% van de Belgen, gerangschikt van de laagste naar de hoogste inkomens. De gegevens zijn afkomstig uit representatieve steekproeven waarin de inkomens van de deelnemers uitgebreid bevraagd worden, met name inkomens uit werk, huurinkomsten, uitkeringen et cetera. Het is belangrijk op te merken dat vermogens (bv. bezit van vastgoed of aandelen) slecht worden geregistreerd in dit soort steekproeven. We weten echter dat de vermogens ongelijker zijn verdeeld dan de inkomens en dat het over het algemeen ook de hoogste inkomens zijn die het grootste vermogen hebben. Extreme waarden bij de hoogste en laagste inkomens zijn gecorrigeerd, en worden niet weergegeven in de grafiek.

Noot: De inkomensconcepten zijn niet volledig vergelijkbaar tussen de twee enquêtes (de SEP omvat bijvoorbeeld geen vakantiegeld of eindejaarspremies), maar bijkomende analyses op basis van geharmoniseerde LIS data (die gebruik maken van dezelfde steekproef maar met aangepaste inkomensconcepten die vergelijkbaar zijn tussen landen en over de tijd heen) geven eenzelfde beeld.

Wat onmiddellijk in het oog springt is dat in de voorbije dertig jaar iedereen er op vooruit is gegaan, maar dat de inkomensgroei veel forser was bij de hoogste inkomens in vergelijking met de laagste inkomens. Terwijl de 10% armsten het beschikbare gezinsinkomen met ongeveer 20% zagen toenemen, steeg het inkomen van de 5% rijksten met 46% en van de ‘1%’ met 60%. De middengroepen kenden een inkomensgroei van ongeveer 40%. Dat is de tweede observatie: het verschil tussen de middengroepen en de hoogste inkomens is veel minder groot dan het verschil tussen de laagste inkomens en de middenklasse. Het zijn vooral de laagste inkomens die achterop hinken in de Belgische welvaartsstaat. Dat strookt met eerdere analyses dat de Belgische welvaartsstaat een stevige, stabiele middenklasse en hoge sociale uitgaven combineert met een (in vergelijkend perspectief) hoog armoederisico.

in de voorbije dertig jaar is iedereen er op vooruit gegaan, maar de inkomensgroei was veel forser bij de hoogste inkomens

Absoluut of relatief?

Heel wat mensen zullen dit als bijzonder goed nieuws interpreteren. Het is immers een vaak gehoord argument dat het beleid moet focussen op de vooruitgang van de laagste inkomens, en zich niet noodzakelijk om de toename van de inkomens aan de top (en dus de relatieve ongelijkheid) moet bekommeren. Armoede, en niet ongelijkheid, is waar het om zou moeten draaien. Ik ben het daar niet mee eens.

Vergelijk het met een wielerwedstrijd waarin de laagste inkomens met platte banden aan de start komen. Ze gaan wel vooruit maar hoe hárd ze ook trappen, de anderen rijden alsmaar verder van ze weg. Dat is belangrijk. Niet alleen heeft psychologisch en sociologisch onderzoek heeft al omstandig aangetoond hoe een toename van relatieve inkomensverschillen en verschillen in sociale status leidt tot mentale en fysieke gezondheidsproblemen, een toename van de relatieve inkomenskloof betekent ook een toename van verschillen in levensstandaard.

Figuur 2 toont de toename van de inkomens voor de volledige inkomensverdeling in de voorbije 30 jaar in equivalente euro. Uitgedrukt in prijzen van 2013 hebben de laagste inkomensgroepen in de voorbije 30 jaar hun netto equivalent beschikbaar jaarinkomen met ongeveer €1.500 zien toenemen, de hoogste inkomensgroepen met meer dan €15.000. Let op: het gaat hier om equivalente inkomens die de potentiële levensstandaard van gezinnen weerspiegelen. Als de laagste inkomens de toename in de levensstandaard van de midden- en hogere inkomensgroepen, en de daarbij horende veranderingen in consumptiepatronen en toegang tot diensten, niet (meer) kunnen volgen wordt het voor hen moeilijker om een middenklassebestaan te ambiëren. Relatieve inkomensverschillen die te groot worden remmen de sociale mobiliteit.

Kortom, wat gebeurt aan de onderkant van de inkomensverdeling staat niet los van wat gebeurt in het midden en aan de top. Heel simpel: Hoe groter het deel van de economische groei dat naar het midden en de top vloeit, hoe minder er beschikbaar is voor de laagste inkomens. Wie bekommerd is om de absolute levensstandaard van de armen zal onvermijdelijk ook oog moeten hebben voor de verdeling van de inkomens in het midden en aan de top. Armoede en inkomensongelijkheid zijn niet los van elkaar te zien.

Hoe verhoudt België zich tot andere landen?

Toch is het belangrijk om de Belgische inkomensverdeling in perspectief te blijven zien. Is de Belgische situatie uitzonderlijk, of vinden we een gelijkaardig patroon in andere landen? Figuur 3 toont opnieuw een groei incidentie curve, maar nu voor België en drie landen waar ons land vaak aan wordt gespiegeld: Nederland, Duitsland en Denemarken. Belangrijk is dat de gemiddelde groei op jaarbasis wordt getoond, omdat de beschouwde periodes verschillen tussen de landen.

Noot: de beschouwde periodes verschillen tussen de landen. Voor Nederland gaat het om 1990-2013, voor Duitsland om 1983-2013, voor Denemarken om 1987-2013 en voor België om 1985-2013.

Het Belgische patroon is eerder uitzonderlijk. Duitsland kent een gelijkaardige groeipatroon als België, maar de inkomens groeiden er aan een lager tempo. In Nederland was de groei gelijker verdeeld over de inkomensverdeling, terwijl in Denemarken voornamelijk de laagste inkomensgroepen profiteerden van de inkomensgroei. De groei van het beschikbare inkomen is in België zowel sterker als ongelijker geweest dan in andere landen.

De groei van het beschikbare inkomen is in België zowel sterker als ongelijker geweest dan in andere landen.

Dat lijkt contra-intuïtief omdat het niet strookt met de conventional wisdom dat België een gelijke inkomensverdeling kent. Het is echter belangrijk om bij de interpretatie van deze gegevens in het achterhoofd te houden dat het de reële groei over een periode van 30 jaar toont. Een ongelijke groei vertrekkend van een zeer egalitaire inkomensverdeling kan nog steeds resulteren in een gelijke inkomensverdeling, terwijl een gelijke groei vertrekkend van een zeer ongelijke inkomensverdeling nog steeds resulteert in een ongelijke inkomensverdeling. Om dit te illustreren toont figuur 4 de evolutie van de Gini-coëfficiënt voor België en de drie landen. Zoals eerder gesteld kan er uit de Gini-coëfficiënt niet noodzakelijk iets worden afgeleid over wat er gebeurt aan de extremen van de verdeling. Het toont wel dat België ongelijker is geworden over de tijd heen, maar dat het in vergelijkend perspectief nog steeds een zeer egalitair land is. Zoals kon worden afgeleid uit de verdeling van de inkomensgroei is in Denemarken de ongelijkheid gedaald, in Duitsland gestegen en in Nederland min of meer stabiel gebleven.

Bronnen: zie figuur 3.

België is in vergelijkend perspectief een zeer egalitair land

De rol van het beleid

Groei incidentie curves geven ons een vollediger beeld van de veranderingen in de inkomensverdeling maar bieden geen verklaring voor die veranderingen. Vooreerst spelen er zogenaamde compositie-effecten: de samenleving vandaag verschilt van de samenleving in 1985, en de samenstelling van de inkomensgroepen is veranderd . Er zullen bijvoorbeeld onmiskenbaar meer laaggeschoolden, meer alleenstaande ouders en meer migrantengezinnen aan de onderkant van de inkomensverdeling te vinden zijn.

Het sociaal beleid en veranderingen op de arbeidsmarkt spelen echter ook een belangrijke rol. We weten dat de inkomens van de laagste inkomensgroepen voornamelijk bestaan uit inkomsten die niet uit arbeid voortkomen, terwijl voor de midden en hogere inkomensgroepen het omgekeerde geldt. Enerzijds zal een toename van de tewerkstelling (waar de voorbije decennia door beleidsmakers sterk op is ingezet) een belangrijke factor zijn in de groei van de beschikbare inkomens. Anderzijds zullen veranderingen in de generositeit en de voorwaarden van sociale uitkeringen het zwaarst doorwegen bij de laagste inkomens, de groep die geen of weinig inkomens uit arbeid verwerft.

Figuur 5 toont de verandering van het aandeel personen dat een inkomen uit arbeid (in loondienst of zelfstandige arbeid) verwerft in de voorbije dertig jaar. De Belgische bevolking wordt ingedeeld op dezelfde manier als in de grafieken hierboven, maar deze grafiek toont de toename van het aandeel mensen tussen 24 en 64 jaar met een arbeidsinkomen ten opzichte van het totaal aantal 25 tot 64-jarigen in de groep.

Zoals verwacht: hoe hoger de inkomens, hoe meer er wordt gewerkt. Belangrijk is echter dat de sterke toename van de tewerkstelling in de voorbije dertig jaar geconcentreerd was in het midden en aan de top van de verdeling, terwijl het aantal personen met een arbeidsinkomen bij de laagste inkomensgroepen niet of nauwelijks is toegenomen. Dat strookt met eerdere studies die een polarisatie van de jobgroei aantoonden: de groei van de tewerkstelling is niet ten goede gekomen aan de gezinnen waar het minst wordt gewerkt. Dat betekent ook dat als een tewerkstellingsbeleid er niet in slaagt om laaggeschoolden, migranten en alleenstaande ouders te bereiken, we niet kunnen verwachten dat de jobgroei zal bijdragen tot het dichten van de relatieve kloof (en mutatis mutandis het verminderen van de armoede).

Omdat dertig jaar een lange periode is waarin beleidsmatig ook erg veel is veranderd, is het nuttig om de inkomensgroei over de tijd heen wat meer in detail te bekijken. Figuur 6 toont de evolutie van de laagste inkomens (5e percentiel), de middeninkomens (de mediaan) en de hoogste inkomens (95e percentiel) voor de jaren waarvoor ik over steekproefgegevens beschik.

De toename van de relatieve kloof tussen topinkomens en laagste inkomens vond vooral plaats tijdens de jaren negentig en begin van de jaren 2000. Vanaf 2005 zien we voornamelijk een beeld van stabiliteit, wat overeenkomt met het beeld van België als een stabiel eiland van gelijkheid temidden een wereld waar de ongelijkheid hand over hand lijkt toe te nemen. In een studie van André Decoster en collega’s wordt mooi geïllustreerd dat het sociaal en fiscaal beleid in de jaren negentig gekenmerkt wordt door saneringen, met onder meer de ontkoppeling van de sociale uitkeringen van de welvaartsstijging. In die periode blijven de laagste inkomens ter plaatse trappelen. Hoewel er in de jaren 2000 een inhaalbeweging kwam en het beleid zelfs progressiever werd was dat niet voldoende om de kloof terug kleiner te maken, ondanks de gestegen sociale uitgaven. Anders gezegd: de Belgische welvaartsstaat is harder gaan werken en de stijging van de ongelijkheid is gestopt vanaf het midden van de jaren 2000. De kloof verkleinen is echter niet gelukt.

Conclusie

België is een blijft een land met een lage ongelijkheid zoals gemeten door de Gini-coëfficiënt, maar de analyse in dit stuk toont dat een andere bril nuttig is om de veranderingen in de inkomensverdeling op langere termijn bloot te kunnen leggen.

In de voorbije dertig jaar is de groei van de inkomens iedereen ten goede gekomen, maar de hogere inkomens veel meer dan de lagere inkomens. De ongelijkheid nam vooral in de jaren 1990 toe, om te stabiliseren vanaf het midden van de jaren 2000. In vergelijkend perspectief is de inkomensgroei in België sterker geweest dan in Duitsland, Nederland en tot op zekere hoogte Denemarken. Drie landen die vaak tot voorbeeld strekken wanneer het gaat om hervormingen in het sociaal beleid.

De Belgische welvaartsstaat heeft zeker in de voorbije tien jaar stand kunnen houden. Het zijn echter vooral de laagste inkomens die achterblijven op de rest, zowel qua inkomens als tewerkstelling. De uitdaging voor de komende dertig jaar wordt dan ook om de sociale uitgaven en het arbeidsmarktbeleid zo in te zetten dat de laagste inkomens terug aansluiting kunnen vinden met de rest van de bevolking.

Share on LinkedIn3Tweet about this on TwitterShare on Facebook36

6 gedachten over “Dertig jaar inkomensverdeling in België”

  1. Hebt u er rekening mee gehouden dat in de Belgische belastingaangiften geen dividenden, geen meerwaarden en geen intresten te vinden zijn, in tegenstelling tot andere landen?

    1. Hebt u er rekening mee gehouden dat in de Belgische belastingaangiften geen dividenden, geen meerwaarden en geen intresten te vinden zijn, in tegenstelling tot andere landen?

      1. Beste Karel, de brongegevens zijn gebaseerd op enquêtes en omvatten dus meer dan wat er op de fiscale aangiftes te vinden is. We weten echter dat kapitaalinkomsten ondergerapporteerd worden, en dus zal de ongelijke verdeling van de inkomens ook in deze analyse een onderschatting zijn.

        1. Ja, maar door de scherp dalende rente in die lange periode zou de door u gemeten toename van de ongelijke verdeling in werkelijkheid iets minder scherp kunnen zijn.

  2. Ik begrijp dat TE grote inkomensverschillen de sociale mobiliteit beperken, je ziet dat ook in landen met extreem rijk en extreem arm, en waar geen reële middenklasse is. Maar het is geen lineair verband: Aan de andere kant van het extreme zie je vooral dat extreme gelijkheid lijdt tot collectieve verarming. We hebben dat reëel al altijd opnieuw zien gebeuren bij elk land dat het communisme invoerde. Letterlijk ELK land.

    Dat betekend dat de stelling eerder een Gauss-curve is, waar een ideaal ‘redelijk’ is, waar een redelijke gelijkheid er voor zorgt dat er niet in extreem ongelijk of extreem gelijk wordt vervallen. Daar is de welvaartsgroei voor iedereen het grootste. M.a.w. de studie hier die onderzoekt of iedereen wel evenveel profiteert met de economische groei zou in alle communistische landen een negatieve stijging of een achteruitgang geven voor iedereen.

    Met België als 1 van de nu al meest gelijke landen ter wereld moeten we zeer sterk oppassen om niet in zulk DDR-verhaal te vervallen. We zitten erg dicht bij zulke ramp. We boeren nu al zeer vaak achteruit in de lijstje van economische groei. We zijn ook nu al bij de slechtere van de Europese klas om economisch te profiteren van de globale groei.

    De in het artikel gesteld conclusie “De uitdaging voor de komende dertig jaar wordt dan ook om de sociale uitgaven en het arbeidsmarktbeleid zo in te zetten dat de laagste inkomens terug aansluiting kunnen vinden met de rest van de bevolking.”, betekend voor mij dus helemaal niet dat we moeten streven naar nog verdere extreme gelijke inkomensverschillen, maar enkel wat er ook staat over ‘aansluiting vinden’: Het betekend letterlijk zorgen dat armen weer gaan werken…

    1. Beste Jan

      Los van het feit dat er maar weinig zinnige mens voor een inkomensverdeling naar communistisch model zullen pleiten, klopt het niet dat de economische groei geremd wordt door een té gelijke verdeling van de inkomens. Zoals je in de grafiek kunt zien zijn de inkomens gemiddeld gesprokens sterker gegroeid dan in de andere landen opgenomen in deze analyse.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *