Tijdskrediet als motor van deeltijdwerk in België

De berichtgeving rond de opmars van ‘vier vijfde werken als nieuwe voltijds’ bracht de voorbije weken gemengde reacties teweeg. Moeten we blij zijn dat arbeid gedeeld wordt over meer mensen en dat nu ook mannen vaker deeltijds werken? Of, is de evolutie problematisch omdat deeltijdwerk een second best optie vormt bij gebrek aan voltijdse banen? Deze vragen leggen het debat rond een meer flexibele arbeidsmarkt bloot dat nooit tot het bot werd gevoerd in België. Meestal blijft het beperkt, zeker in het publieke debat, tot ballonnetjes oplaten of wat modder gooien. Met het ‘succes’ van de flexijobs en de nieuwe voorstellen van Minister van Werk Kris Peeters rond verdere flexibilisering van de arbeidstijd zien we wel langzaam een kentering. Om het debat effectief te kunnen voeren, moeten we echter eerst begrijpen waarom deeltijdwerk sluimerend is toegenomen in België, bij wie, en waarom.

Enkele cijfers

In de voorbije decennia kende België, net zoals andere West-Europese landen, een algemene stijging van het aandeel deeltijdwerkenden. Een uitsplitsing van de evolutie naar leeftijd geeft echter een eerste indicatie van de specifieke samenstelling van de deeltijdwerkende populatie in België (figuur 1 en figuur 2). Terwijl België een opvallende stijging van deeltijdwerk bij vijftigplussers kende, nam in andere Europese landen deeltijdwerk voornamelijk toe bij jongeren.

Evolutie aandeel deeltijdwerk (% van 15-64 jarigen) naar leeftijd, België, 1995-2013.

Evolutie aandeel deeltijdwerk (% van 15-64 jarigen) naar leeftijd, EU-15, 1995-2013.

Een tweede vaststelling is dat in vergelijking met andere Europese landen België een relatief korte werkweek kent voor voltijds werkenden en een relatief lange werkweek voor deeltijdwerkenden (figuur 3). In het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Spanje, Denemarken, Duitsland en Portugal betekent ‘deeltijd’ effectief minder dan de helft van een voltijdse baan, terwijl in België een deeltijdse baan gemiddeld 62 procent bedraagt van een voltijdse baan.

Gemiddeld normaal aantal uren per week in deeltijds en voltijdse baan, 2014

Een derde opvallend kenmerk van deeltijdwerk in België is dat onvrijwillig deeltijdswerk in dalende lijn gaat, terwijl het net toenam in de meeste Europese landen (figuur 4). In 2014 deed ‘slechts’ één op tien Belgische deeltijdswerkenden dit bij gebrek aan voltijdswerk. In Europa is dit gemiddeld bij 1 op 3.

Evolutie onvrijwillig deeltijdwerk (% van deeltijdwerk) BE en EU-15, 1983-2013

 

Wat verklaart deze cijfers?

Het unieke systeem van tijdskrediet (en loopbaanonderbreking) verheldert de unieke kenmerken van deeltijdwerk in België. De sterke toename in – vrijwillig – deeltijdwerk hangt namelijk sterk samen met het toename van het gebruik van tijdskrediet (zie figuur 5). Ook het feit dat deeltijdse banen in België gemiddeld een relatief substantieel aantal uren omvat is te kaderen binnen het systeem van tijdskrediet. Meestal verminderen personen hun arbeidsprestatie slechts met 1/5e, zoals het jaarverslag van de RVA aangeeft.

Aantal werkenden die met steun van RVA hun arbeidstijd aanpassen, 2000-2013, jaargemiddelden

Ook de unieke oververtegenwoordiging van oudere werknemers bij deeltijders in België hangt samen met het systeem van tijdskrediet (zie tabel 1). Het financieel aantrekkelijke stelsel van tijdskrediet voor oudere werknemers (de ‘landingsbanen’), vormen in de realiteit een nieuwe vorm van halftijds brugpensioen. Met andere woorden, om te kunnen oordelen of meer deeltijds werk een ‘goede’ evolutie is, moeten we het kaderen binnen het debat rond tijdskrediet.

kenmerken van personen die loopbaanonderbreking of tijdskrediet opnemen

 

De zin en onzin van het tijdskrediet debat

In het maatschappelijke debat wordt tijdskrediet vaak geframed als iets dat mensen doen om op wereldreis te gaan, zie bijvoorbeeld de berichtgeving op het nieuws, door politici, of recent nog door het NSZ. Betaald tijdskrediet om een wereldreis te maken vindt ieder weldenkend mens waarschijnlijk wel van het goede teveel. Met meer dan 95% van alle tijdskrediet op deeltijdse basis blijft het voornamelijk een emotioneel argument. Of het moest gaan om een wereldreis van enkele uren per week, natuurlijk.

Tijdskrediet (of loopbaanonderbreking) is ooit mee ontstaan met goedkeuring van zowel werknemers- als werkgeversorganisaties. Zoals brugpensioen, dat ander instrument waar sommigen achteraf veel spijt van hadden, kan tijdskrediet een middel zijn om werkloosheid te bestrijden en dus het economisch draagvlak in de samenleving versterken. De kern van het argument pro tijdskrediet is dat het zou leiden tot een meer ontspannen loopbaan opdat mensen langer kunnen werken én door tijdelijke onderbrekingen krijgen ook anderen de kans om te werken. Een ander argument pro tijdskrediet is dat van een kwaliteitsvol leven. Arbeid is slechts één van de belangrijke levensdomeinen, naast het gezinsleven, studie of vrije tijd. Tijdskrediet geeft mensen een (beperkte) ruimte om zelf te beslissen wat belangrijk is in het leven. Let op, er zijn ook een aantal sterke argumenten contra tijdskrediet. Het is niet makkelijk voor werkgevers om voor een korte periode mensen te vinden, op te leiden en productief in te schakelen. Zeker in kleinere KMO’s is dit vaak een lastig probleem. Er zijn ook vraagtekens te plaatsen bij de maatschappelijke ongelijkheid die gecreëerd wordt als de ene groep rechten kan opbouwen om tijdskrediet te nemen, terwijl degenen die hen vervangen moeilijker rechten kunnen opbouwen wanneer ze vast zitten in een opeenvolging van tijdelijke deeltijdse banen. Dit zijn de basisoverwegingen die moeten worden meegenomen in het debat.

Nu maken in het bijzonder vijftigplussers gebruik van tijdskrediet en daarom is het misschien niet slecht om inderdaad het systeem grondig te herdenken. Tijdskrediet zou voor iedereen effectief een aantrekkelijke optie moeten zijn. Niet in het bijzonder voor degenen met een goedbetaalde vaste betrekking op het einde van hun loopbaan. Dat sommige vormen van tijdskrediet niet noodzakelijk financieel moeten worden ondersteund, kan legitiem zijn. Maar, waarom wil men zo graag bepalen waarom iemand wel of niet met tijdkrediet mag, zoals de huidige regering besliste?

Is tijdskrediet enkel te rechtvaardigen voor de opvoeding van een kind onder de 8 jaar, het verlenen van palliatieve zorgen, het verzorgen van een zwaar ziek familielid of een gehandicapt kind of het volgen van een erkende opleiding. Laten we voor het gemak veronderstellen dat twintigers, dertigers en veertigers tijdskrediet niet opnemen omdat ze lui zijn, maar wel om een opleiding te volgen, voor kinderen te zorgen, bij te klussen in het eigen huis, een hobby te doen of nieuwe (zelfstandige) activiteiten op te starten, of, god verhoedde, een wereldreis te maken. Enkele maanden de wereld zien leert mensen vermoedelijk zelfs meer een zoveelste erkende opleiding te volgen. En, misschien helpt het ook wel om een burn-out te voorkomen?

Over elk motief valt in essentie te redetwisten. Dat je kinderen hebt is toch ook je eigen keuze? De kern van de zaak is echter dat we een meer flexibele arbeidsmarkt nodig hebben door toegenomen internationale competitie en minder uniforme levenslopen van tweeverdieners. De risico’s die gepaard gaan met deze flexibiliteit blijven het onderwerp van sociale strijd. De levensloop van mensen is minder stabieler en meer diverse dan vroeger. De afstemming tussen de arbeidsmarkt en andere levensdomeinen vraagt om een flexibele en vaak zeer persoonlijke invulling. Mijns inziens is het beperken van tijdskrediet tot een beperkt aantal vooraf vastgelegde motieven dan ook geen goede uitgangsbasis. Een beter uitgangspunt zou zijn om flexibele loopbanen mogelijk te maken zonder motief opdat het voor iedereen toegankelijk en bruikbaar is. Belangrijk hierbij is dat de potentiële ongelijkheid wordt vermeden tussen degenen die in een stabiele voltijdse baan rechten kunnen opbouwen om het rustiger aan te doen en zij die hen vervangen, maar daardoor moeilijker dezelfde rechten kunnen opbouwen.

Kortom, in het algemeen mogen we niet klagen over de toename van deeltijdwerk in de Belgische context. We mogen best trots zijn op ons uniek systeem van tijdskrediet dat deeltijdwerk tot volwaardig werk maakt. Anderzijds moeten we begripvol blijven voor de organisatorische moeilijkheden bij KMO’s en zorgen dat niemand uit de boot valt. In plaats van tijdskrediet te zien als iets voor profiterende wereldreizigers, zou het gezien moeten worden als een productieve factor die flexibiliteit in onze arbeidsmarkt stimuleert.