De verdeling van de inkomens tijdens de crisisjaren in België

België is de financiële en daaropvolgende economische crisis goed doorgekomen. Onze val in BBP groei was beperkt, de welvaartsstaat trad op als buffer (onder meer via het stelsel van de tijdelijke werkloosheid) en de middenklasse bleef goed beschermd. In De Morgen besloot Ive Marx dan ook terecht dat de sociale impact van de crisis in ons land mild is gebleven.

Een dimensie die in de berichtgeving over de stabiele situatie van de middenklasse wat buiten beeld blijft is wat er is gebeurd aan de onder- en bovenkant van de inkomensverdeling: is de welvaartsstaat voor iederéén een buffer geweest, of zijn de hoge of lage inkomens als verliezers of winnaars uit de bus van de voorbije crisisperiode gekomen?

Lees verder De verdeling van de inkomens tijdens de crisisjaren in België

Heeft de modale Vlaming twee (of meer) huizen?

In het kader van de veelbesproken tax shift ontspon zich onlangs een politieke discussie waarin de modale Vlaming centraal stond. Kris Peeters (CD&V) bond de kat de bel aan met het voorstel om de onroerende voorheffing te verhogen voor alle huizen die niet als gezinswoning dienen. Open-VLD en N-VA reageerden als door een wesp gestoken. “Je kunt wel mikken op dat ene procent van echte rijken, maar voor je het weet belast je weer de modale Vlaming”, wist Matthias Diependaele van N-VA. “Wie heeft zo’n tweede woning? Vaak gaat het om gepensioneerden die een huis of een appartement verhuren om hun eigen bescheiden pensioentje aan te vullen. Als je die mensen extra belast, tref je de verkeerde groep”, klonk het bij Bart Somers van Open VLD. Vreemd genoeg nam ook Peeters’ partijgenoot Koen Vandenheuvel min of meer afstand van het oorspronkelijke voorstel: “Veel Vlamingen bezitten een tweede woning, weinigen een derde, laat staan een veelvoud daarvan.”

Of een verschuiving van de belastingdruk naar onroerend goed wenselijk is, is in de eerste plaats een politieke en normatieve vraag. Of veel Vlamingen een tweede woning bezitten en dat een verhoging van de onroerende voorheffing voornamelijk de middenklasse zou treffen is echter een empirische vraag. Hoog tijd dus om de retoriek aan de werkelijkheid te toetsen.

Lees verder Heeft de modale Vlaming twee (of meer) huizen?

Mythes en feiten omtrent de Belgische werkloosheidsverzekering

Uitkeringen voor gezonde burgers op actieve leeftijd, werkloosheidsuitkeringen en sociale bijstandsuitkeringen (het leefloon) zijn niet populair. Enquêtes wijzen keer op keer uit dat mensen het minst bereid zijn om solidair te zijn met gezonde werklozen. 1 (Tim Reeskens beschreef op deze website overigens mooi hoe er binnen die groep van werklozen nog een verder onderscheid wordt gemaakt tussen zij die steun verdienen en zij die dat niet verdienen.) Bovendien leeft in de hoofden van veel mensen een wij-zij dichotomie: wie hard werkt betaalt voor wie zich wentelt in de hangmat van de werkloosheid waar men kan genieten van hoge uitkeringen; het sociaal profitariaat in actie.

Ook politici bezondigen zich vaak aan het creëren van een negatieve perceptie rond de Belgische werkloosheidsverzekering. Vaak wordt daarbij verwezen naar het aantal werklozen en dito uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen die in ons land buitensporig hoog zouden zijn. Denk aan Open-VLD’er Rik Daems (foto) die in 2013 in een opiniestuk in De Morgen het volgende schreef:

Momenteel zijn er 559.000 werklozen in België, waarvan 417.000 uitkeringsgerechtigd. Dit kost de samenleving 8,9 miljard euro of maar liefst 25 procent van de personenbelasting, waar in de perceptie niets tegenover staat. Dat bedreigt het draagvlak voor onze solidariteit.

Of Bart De Wever (N-VA) die voor de verkiezingen in Trends verklaarde dat we “in bbp-termen twee keer meer uitgeven aan arbeidsmarktbeleid dan onze buurlanden; dan heb je toch een probleem.” Er moet dus hervormd worden, en vaak komt daarbij de onbeperktheid in de tijd van de werkloosheidsuitkeringen in het vizier. In een interview met De Standaard stelde Ben Weyts (N-VA) bijvoorbeeld dat het beperken van de uitkeringen in de tijd een ‘gigantische besparing’ zou opleveren.

Lees verder Mythes en feiten omtrent de Belgische werkloosheidsverzekering

Notes:

  1. Zie bijvoorbeeld het onderzoek van Wim van Oorschot hieromtrent.

Kinderbijslag is er voor iedereen: waarom ‘Markske’ ongelijk heeft

In het Radio 2–programma De Rotonde liet Herman Verbruggen – ‘Markske van de Kampioenen’ voor de connaisseurs – zich uit over de toekomst van de kinderbijslag, en dat heeft heel wat weerklank gevonden in de geschreven pers (De Standaard, De Morgen). Op zich is het uiteraard al verbazingwekkend dat een acteur met een mening nieuwswaardig blijkt te zijn, het is ook niet de eerste keer dat Verbruggen zich uitlaat over politieke en sociale thema’s. Denk aan deze mijns inziens bedenkelijke passage in Reyers Laat waarin hij het imago van Liesbeth Homans verklaart door de stand van haar mondhoeken en zich en stoemelings out als haar fan.

Maar goed, terug naar de kinderbijslag. Verbruggen stelt dat kindergeld geven aan tweeverdieners boven je stand leven is als maatschappij: “het wordt hoog tijd dat mensen beseffen dat je geen geld kan maken dat er niet is.” Hij vervolgt: “We zouden beter enkel geld geven aan mensen die het nodig hebben, die het financieel moeilijk hebben omdat ze niet kunnen werken door omstandigheden.” Hoewel zijn opmerking is ingebed in een besparingslogica is zijn reflex sociaal: “Het gaat over prioriteiten stellen: ik kan gerust zonder de nieuwste telefoon als minder kindergeld betekent dat ik de broeksriem wat moet aanhalen. Maar voor sommige mensen kan dat geld een gróót verschil betekenen.” Verbruggen is uiteraard niet de eerste die de universele kinderbijslag in vraag stelt. In de jaren vijftig werd het debat al gevoerd of de rijken wel kinderbijslag nodig hadden. Zelfs Louis Tobback stelde in 1995 de vraag of het zin heeft “om kinderbijslag te geven aan een gezin dat massa’s geld verdient?” En ook in Nederland woedt vandaag dat debat.

Toch is het geen goed idee.

Lees verder Kinderbijslag is er voor iedereen: waarom ‘Markske’ ongelijk heeft

Hoe ongelijkheid kan ontstaan: het Mattheuseffect van sport tot kinderopvang

Recent mocht ik de loterij van mijn geboorte weer eens vieren en dat deed mij er aan denken dat niet alleen de plaats waar je wordt geboren een impact heeft op je latere levenskansen, maar ook je geboortedatum zelf. In veel competitiesporten heeft de maand waarin je wordt geboren een impact op je kansen om de top te bereiken, ongeacht je talent of je inspanning. Dat heet het relatieve leeftijdseffect; niet louter een aardig wist-je-datje maar vooral een illustratie dat sport helemaal niet zo’n meritocratisch karakter heeft als vaak wordt aangenomen. Daaruit vallen niet alleen lessen te trekken voor de organisatie van heel wat competitiesporten, maar ook voor de organisatie van de samenleving in het algemeen.

IJshockey

Laat ons het voorbeeld van ijshockey van naderbij bekijken. Geboren worden met het talent voor deze sport is een kwestie van geluk (als men een ijshockeyspeler wil worden, uiteraard). Maar er is meer aan de hand. In de jaren 1980 deed de Canadese psycholoog Roger Barnsley een verrassende ontdekking: een overgrote meerderheid van de professionele hockeyspelers bleek geboren te zijn in de eerste maanden van het jaar. Figuur 1 toont hoe spelers die geboren werden in de eerste drie maanden van het jaar oververtegenwoordigd waren in de topteams van elke competitie die in de analyse was opgenomen (de blauwe balkjes), een oververtegenwoordiging die niet verwacht kon worden op basis van de verdeling van de geboortemaanden van de jongeren die instroomden in deze sport.

Bron: Barnsley RH, Thompson AH (1988). Birthdate and success in minor hockey: The key to the N.H.L. Canadian Journal of Behavioral Science 20, 167-176

Lees verder Hoe ongelijkheid kan ontstaan: het Mattheuseffect van sport tot kinderopvang

Een eerste blik op het nieuwe Vlaamse armoedebeleid

In haar eerste interview als Vlaams minister van armoedebestrijding laat Liesbeth Homans optekenen dat het armoedebeleid in het verleden fout werd aangepakt.

“Zijn we gebaat met jaarlijks vijf handboeken met de analyse hoe erg het gesteld is met de armoede in Vlaanderen? Ik denk het niet. We weten het intussen hoor. Hoewel ik het belang van wetenschappelijke studies uiteraard niet minimaliseer. Ik hoef geen jaarlijkse doorlichting meer van het fenomeen dat kinderen zonder boterhammen naar school moeten. Ik wil dat elk kind met een volle boterhammendoos naar school kan. Dat is een andere houding.”

In het verleden heb ik wel vaker de bedenking gemaakt dat armoedebestrijding in België en Vlaanderen fout werd aangepakt. Een andere houding lijkt dus welkom. Homans’ “We weten het intussen hoor” suggereert echter dat de wetenschappelijke inzichten met betrekking tot armoedebestrijding nu wel zijn doorgesijpeld naar het beleid. Welaan dan, laat ons even de proef op de som nemen: in hoeverre zijn de maatregelen waarvan uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat ze effectief zijn in het bestrijden van armoede opgenomen in het Vlaamse regeerakkoord?

Wat leert het wetenschappelijk onderzoek?

Armoede is in essentie een probleem van te weinig middelen op het niveau van het gezin. Concreet worden mensen als arm (of beter: levend met een risico op armoede) beschouwd wanneer hun netto besteedbaar gezinsinkomen lager is dan de armoedegrens. Die armoedegrens is relatief en hangt bijgevolg af van het algemeen welvaartsniveau van een land (de grens ligt dus bijvoorbeeld een pak hoger in Luxemburg dan in Roemenië), en weerspiegelt het minimum minimorum. 1 Belangrijk hierbij is de gezinsdimensie: armoede is geen kwestie van weinig verdienen als individu, het is een kwestie van leven in een gezin waar alle inkomens samen (kinderbijslagen, arbeidsinkomens en uitkeringen) niet toereikend zijn en minder zijn dan het bedrag dat de armoedegrens markeert. Kort samengevat: armoede is het uitgesloten zijn van een menswaardig leven door een gebrek aan middelen. Als dergelijke situatie te lang aanhoudt, raak je als vanzelf verstrikt in een web van problemen en uitsluiting waar je zelf niet meer uit kunt klauteren.

Lees verder Een eerste blik op het nieuwe Vlaamse armoedebeleid

Notes:

  1. Deze inkomensgrens correspondeert voor ons land goed met de referentiebudgetten, budgetnormen die gebaseerd zijn op reële korven van goederen en diensten die noodzakelijk worden geacht om menswaardig te leven. Voor België geeft de relatieve ‘armoederisiconorm’ dus een accuraat beeld van welke middelen men nodig heeft om op een menswaardige manier te kunnen deelnemen aan de samenleving.

De Ivoren Toren – een introductie

Wie over de samenleving wil nadenken, kan er niet buiten blijven staan. Nochtans was de afzondering van de wereld gedurende grote delen van de Westerse geschiedenis een deugd veeleer dan een zonde. De kunstgeschiedenis bulkt van de symbolen die de afzondering van de wereld verheerlijken. Zo ook de ivoren toren, vaak afgebeeld als onderdeel van de Mariaverering die vanaf de late middeleeuwen aan grote populariteit won in onze gebieden.

Annunciatie met eenhoorn, c. 1500 (Nederlanden).
Annunciatie met ivoren toren, c. 1500 (Nederlanden).

De beeldspraak van de ivoren toren gaat terug op het Oudtestamentische Hooglied, waarin Salomo de hals van zijn bruid bezingt als een toren van ivoor. Geïnterpreteerd als een metafoor voor de liefde tussen de gelovige en het goddelijke, ontpopte de sensuele aanbidding uit het Hooglied zich tijdens de middeleeuwen tot een beschrijving van de maagd Maria. De ivoren toren van Salomos bruid werd zo een symbool voor de manier waarop Jezus bij haar geconcipieerd werd: edel en onaangetast; zuiver en onbevlekt.  Samen met een lange reeks andere iconografische symbolen zoals die van de besloten tuin of hortus conclusus, werd het een teken van zuiverheid en ongereptheid ten overstaan van de zondige, wereldse realiteit…

Lees verder De Ivoren Toren – een introductie