Dertig jaar inkomensverdeling in België

België is een land met weinig inkomensongelijkheid, en bovendien is die lage ongelijkheid al jaren stabiel. Dat is de conventional wisdom omtrent de inkomensverdeling in ons land. En die is juist. In het voorbije decennium is de inkomensongelijkheid gemeten door de Gini-coëfficiënt stabiel gebleven rond een waarde van 0.26; in het gezelschap van de Scandinavische landen, Tsjechië, Slovakije en Slovenië behoren we daarmee tot de best presterende rijke landen.

Maar dat is niet het volledige verhaal. Inkomensongelijkheid gemeten door middel van de Gini-coëfficiënt is een specifieke manier om naar de verdeling van de inkomens te kijken. De verdeling wordt samengevat in één cijfer en het is niet altijd mogelijk om veranderingen bij de laagste inkomens en de topinkomens door deze maatstaf accuraat te vatten. Bovendien gaan de publiek beschikbare data maar tien jaar terug.

Er kan echter ook door een andere bril naar de inkomensverdeling worden gekeken. Thomas Piketty bijvoorbeeld, focust op basis van fiscale statistieken op de inkomens aan de top. Wie in armoede geïnteresseerd is zal meer geneigd zijn om naar de verdeling van de inkomens aan de onderkant te kijken. In deze blogpost wil ik het blikveld verruimen door de volledige verdeling van de inkomens in ogenschouw te nemen (zoals ik eerder al deed voor de inkomensverdeling tijdens de crisisjaren), over de voorbije dertig jaar. Deze bijkomende stukjes van de inkomenspuzzel dragen bij een beter begrip van de evolutie in de inkomensverdeling over de tijd heen, en vooral wie de welvaart zag toenemen.

Wie profiteert van de inkomensgroei?

In de voorbije dertig jaar zijn we als collectief behoorlijk wat rijker geworden. Maar hoe vertaalt die toegenomen rijkdom zich in de levensstandaard van gezinnen? En welke gezinnen profiteren het meest? Om dat in beeld te brengen toon ik in figuur 1 een zogenaamde ‘Groei incidentie curve’ (GIC) van de Belgische inkomens tussen 1985 en 2013. Dergelijke curves tonen de reële groei van de inkomens in een bepaalde periode over de ganse inkomensverdeling en laten toe in detail te bekijken welke inkomensgroepen in de samenleving de sterkste toename van het inkomen hebben gekend.

Ter verduidelijking: de grafiek toont de procentuele toename van de jaarlijkse netto beschikbare gezinsinkomens van Belgische gezinnen. Dat is het inkomen dat mensen te besteden hebben, dus nadat belastingen zijn afgetrokken en eventuele uitkeringen zijn bijgeteld. Over zo’n lange tijdsspanne is de samenstelling van de gezinnen sterk veranderd. Daarom worden de netto beschikbaar inkomens gecorrigeerd (‘equivalent gemaakt’) om de inkomens van gezinnen van verschillende grootte onderling en over de tijd heen vergelijkbaar te maken. De inkomens worden uitgedrukt in prijzen van 2013, dat wil zeggen dat er rekening wordt gehouden met de stijging van de levensduurte. In de grafiek worden de Belgen ingedeeld in percentielen: elk percentiel komt overeen met 1% van de Belgen, gerangschikt van de laagste naar de hoogste inkomens. De gegevens zijn afkomstig uit representatieve steekproeven waarin de inkomens van de deelnemers uitgebreid bevraagd worden, met name inkomens uit werk, huurinkomsten, uitkeringen et cetera. Het is belangrijk op te merken dat vermogens (bv. bezit van vastgoed of aandelen) slecht worden geregistreerd in dit soort steekproeven. We weten echter dat de vermogens ongelijker zijn verdeeld dan de inkomens en dat het over het algemeen ook de hoogste inkomens zijn die het grootste vermogen hebben. Extreme waarden bij de hoogste en laagste inkomens zijn gecorrigeerd, en worden niet weergegeven in de grafiek.

Noot: De inkomensconcepten zijn niet volledig vergelijkbaar tussen de twee enquêtes (de SEP omvat bijvoorbeeld geen vakantiegeld of eindejaarspremies), maar bijkomende analyses op basis van geharmoniseerde LIS data (die gebruik maken van dezelfde steekproef maar met aangepaste inkomensconcepten die vergelijkbaar zijn tussen landen en over de tijd heen) geven eenzelfde beeld.

Wat onmiddellijk in het oog springt is dat in de voorbije dertig jaar iedereen er op vooruit is gegaan, maar dat de inkomensgroei veel forser was bij de hoogste inkomens in vergelijking met de laagste inkomens. Terwijl de 10% armsten het beschikbare gezinsinkomen met ongeveer 20% zagen toenemen, steeg het inkomen van de 5% rijksten met 46% en van de ‘1%’ met 60%. De middengroepen kenden een inkomensgroei van ongeveer 40%. Dat is de tweede observatie: het verschil tussen de middengroepen en de hoogste inkomens is veel minder groot dan het verschil tussen de laagste inkomens en de middenklasse. Het zijn vooral de laagste inkomens die achterop hinken in de Belgische welvaartsstaat. Dat strookt met eerdere analyses dat de Belgische welvaartsstaat een stevige, stabiele middenklasse en hoge sociale uitgaven combineert met een (in vergelijkend perspectief) hoog armoederisico.

in de voorbije dertig jaar is iedereen er op vooruit gegaan, maar de inkomensgroei was veel forser bij de hoogste inkomens

Absoluut of relatief?

Heel wat mensen zullen dit als bijzonder goed nieuws interpreteren. Het is immers een vaak gehoord argument dat het beleid moet focussen op de vooruitgang van de laagste inkomens, en zich niet noodzakelijk om de toename van de inkomens aan de top (en dus de relatieve ongelijkheid) moet bekommeren. Armoede, en niet ongelijkheid, is waar het om zou moeten draaien. Ik ben het daar niet mee eens.

Vergelijk het met een wielerwedstrijd waarin de laagste inkomens met platte banden aan de start komen. Ze gaan wel vooruit maar hoe hárd ze ook trappen, de anderen rijden alsmaar verder van ze weg. Dat is belangrijk. Niet alleen heeft psychologisch en sociologisch onderzoek heeft al omstandig aangetoond hoe een toename van relatieve inkomensverschillen en verschillen in sociale status leidt tot mentale en fysieke gezondheidsproblemen, een toename van de relatieve inkomenskloof betekent ook een toename van verschillen in levensstandaard.

Figuur 2 toont de toename van de inkomens voor de volledige inkomensverdeling in de voorbije 30 jaar in equivalente euro. Uitgedrukt in prijzen van 2013 hebben de laagste inkomensgroepen in de voorbije 30 jaar hun netto equivalent beschikbaar jaarinkomen met ongeveer €1.500 zien toenemen, de hoogste inkomensgroepen met meer dan €15.000. Let op: het gaat hier om equivalente inkomens die de potentiële levensstandaard van gezinnen weerspiegelen. Als de laagste inkomens de toename in de levensstandaard van de midden- en hogere inkomensgroepen, en de daarbij horende veranderingen in consumptiepatronen en toegang tot diensten, niet (meer) kunnen volgen wordt het voor hen moeilijker om een middenklassebestaan te ambiëren. Relatieve inkomensverschillen die te groot worden remmen de sociale mobiliteit.

Kortom, wat gebeurt aan de onderkant van de inkomensverdeling staat niet los van wat gebeurt in het midden en aan de top. Heel simpel: Hoe groter het deel van de economische groei dat naar het midden en de top vloeit, hoe minder er beschikbaar is voor de laagste inkomens. Wie bekommerd is om de absolute levensstandaard van de armen zal onvermijdelijk ook oog moeten hebben voor de verdeling van de inkomens in het midden en aan de top. Armoede en inkomensongelijkheid zijn niet los van elkaar te zien.

Hoe verhoudt België zich tot andere landen?

Toch is het belangrijk om de Belgische inkomensverdeling in perspectief te blijven zien. Is de Belgische situatie uitzonderlijk, of vinden we een gelijkaardig patroon in andere landen? Figuur 3 toont opnieuw een groei incidentie curve, maar nu voor België en drie landen waar ons land vaak aan wordt gespiegeld: Nederland, Duitsland en Denemarken. Belangrijk is dat de gemiddelde groei op jaarbasis wordt getoond, omdat de beschouwde periodes verschillen tussen de landen.

Noot: de beschouwde periodes verschillen tussen de landen. Voor Nederland gaat het om 1990-2013, voor Duitsland om 1983-2013, voor Denemarken om 1987-2013 en voor België om 1985-2013.

Het Belgische patroon is eerder uitzonderlijk. Duitsland kent een gelijkaardige groeipatroon als België, maar de inkomens groeiden er aan een lager tempo. In Nederland was de groei gelijker verdeeld over de inkomensverdeling, terwijl in Denemarken voornamelijk de laagste inkomensgroepen profiteerden van de inkomensgroei. De groei van het beschikbare inkomen is in België zowel sterker als ongelijker geweest dan in andere landen.

De groei van het beschikbare inkomen is in België zowel sterker als ongelijker geweest dan in andere landen.

Dat lijkt contra-intuïtief omdat het niet strookt met de conventional wisdom dat België een gelijke inkomensverdeling kent. Het is echter belangrijk om bij de interpretatie van deze gegevens in het achterhoofd te houden dat het de reële groei over een periode van 30 jaar toont. Een ongelijke groei vertrekkend van een zeer egalitaire inkomensverdeling kan nog steeds resulteren in een gelijke inkomensverdeling, terwijl een gelijke groei vertrekkend van een zeer ongelijke inkomensverdeling nog steeds resulteert in een ongelijke inkomensverdeling. Om dit te illustreren toont figuur 4 de evolutie van de Gini-coëfficiënt voor België en de drie landen. Zoals eerder gesteld kan er uit de Gini-coëfficiënt niet noodzakelijk iets worden afgeleid over wat er gebeurt aan de extremen van de verdeling. Het toont wel dat België ongelijker is geworden over de tijd heen, maar dat het in vergelijkend perspectief nog steeds een zeer egalitair land is. Zoals kon worden afgeleid uit de verdeling van de inkomensgroei is in Denemarken de ongelijkheid gedaald, in Duitsland gestegen en in Nederland min of meer stabiel gebleven.

Bronnen: zie figuur 3.

België is in vergelijkend perspectief een zeer egalitair land

De rol van het beleid

Groei incidentie curves geven ons een vollediger beeld van de veranderingen in de inkomensverdeling maar bieden geen verklaring voor die veranderingen. Vooreerst spelen er zogenaamde compositie-effecten: de samenleving vandaag verschilt van de samenleving in 1985, en de samenstelling van de inkomensgroepen is veranderd . Er zullen bijvoorbeeld onmiskenbaar meer laaggeschoolden, meer alleenstaande ouders en meer migrantengezinnen aan de onderkant van de inkomensverdeling te vinden zijn.

Het sociaal beleid en veranderingen op de arbeidsmarkt spelen echter ook een belangrijke rol. We weten dat de inkomens van de laagste inkomensgroepen voornamelijk bestaan uit inkomsten die niet uit arbeid voortkomen, terwijl voor de midden en hogere inkomensgroepen het omgekeerde geldt. Enerzijds zal een toename van de tewerkstelling (waar de voorbije decennia door beleidsmakers sterk op is ingezet) een belangrijke factor zijn in de groei van de beschikbare inkomens. Anderzijds zullen veranderingen in de generositeit en de voorwaarden van sociale uitkeringen het zwaarst doorwegen bij de laagste inkomens, de groep die geen of weinig inkomens uit arbeid verwerft.

Figuur 5 toont de verandering van het aandeel personen dat een inkomen uit arbeid (in loondienst of zelfstandige arbeid) verwerft in de voorbije dertig jaar. De Belgische bevolking wordt ingedeeld op dezelfde manier als in de grafieken hierboven, maar deze grafiek toont de toename van het aandeel mensen tussen 24 en 64 jaar met een arbeidsinkomen ten opzichte van het totaal aantal 25 tot 64-jarigen in de groep.

Zoals verwacht: hoe hoger de inkomens, hoe meer er wordt gewerkt. Belangrijk is echter dat de sterke toename van de tewerkstelling in de voorbije dertig jaar geconcentreerd was in het midden en aan de top van de verdeling, terwijl het aantal personen met een arbeidsinkomen bij de laagste inkomensgroepen niet of nauwelijks is toegenomen. Dat strookt met eerdere studies die een polarisatie van de jobgroei aantoonden: de groei van de tewerkstelling is niet ten goede gekomen aan de gezinnen waar het minst wordt gewerkt. Dat betekent ook dat als een tewerkstellingsbeleid er niet in slaagt om laaggeschoolden, migranten en alleenstaande ouders te bereiken, we niet kunnen verwachten dat de jobgroei zal bijdragen tot het dichten van de relatieve kloof (en mutatis mutandis het verminderen van de armoede).

Omdat dertig jaar een lange periode is waarin beleidsmatig ook erg veel is veranderd, is het nuttig om de inkomensgroei over de tijd heen wat meer in detail te bekijken. Figuur 6 toont de evolutie van de laagste inkomens (5e percentiel), de middeninkomens (de mediaan) en de hoogste inkomens (95e percentiel) voor de jaren waarvoor ik over steekproefgegevens beschik.

De toename van de relatieve kloof tussen topinkomens en laagste inkomens vond vooral plaats tijdens de jaren negentig en begin van de jaren 2000. Vanaf 2005 zien we voornamelijk een beeld van stabiliteit, wat overeenkomt met het beeld van België als een stabiel eiland van gelijkheid temidden een wereld waar de ongelijkheid hand over hand lijkt toe te nemen. In een studie van André Decoster en collega’s wordt mooi geïllustreerd dat het sociaal en fiscaal beleid in de jaren negentig gekenmerkt wordt door saneringen, met onder meer de ontkoppeling van de sociale uitkeringen van de welvaartsstijging. In die periode blijven de laagste inkomens ter plaatse trappelen. Hoewel er in de jaren 2000 een inhaalbeweging kwam en het beleid zelfs progressiever werd was dat niet voldoende om de kloof terug kleiner te maken, ondanks de gestegen sociale uitgaven. Anders gezegd: de Belgische welvaartsstaat is harder gaan werken en de stijging van de ongelijkheid is gestopt vanaf het midden van de jaren 2000. De kloof verkleinen is echter niet gelukt.

Conclusie

België is een blijft een land met een lage ongelijkheid zoals gemeten door de Gini-coëfficiënt, maar de analyse in dit stuk toont dat een andere bril nuttig is om de veranderingen in de inkomensverdeling op langere termijn bloot te kunnen leggen.

In de voorbije dertig jaar is de groei van de inkomens iedereen ten goede gekomen, maar de hogere inkomens veel meer dan de lagere inkomens. De ongelijkheid nam vooral in de jaren 1990 toe, om te stabiliseren vanaf het midden van de jaren 2000. In vergelijkend perspectief is de inkomensgroei in België sterker geweest dan in Duitsland, Nederland en tot op zekere hoogte Denemarken. Drie landen die vaak tot voorbeeld strekken wanneer het gaat om hervormingen in het sociaal beleid.

De Belgische welvaartsstaat heeft zeker in de voorbije tien jaar stand kunnen houden. Het zijn echter vooral de laagste inkomens die achterblijven op de rest, zowel qua inkomens als tewerkstelling. De uitdaging voor de komende dertig jaar wordt dan ook om de sociale uitgaven en het arbeidsmarktbeleid zo in te zetten dat de laagste inkomens terug aansluiting kunnen vinden met de rest van de bevolking.

De verdeling van de inkomens tijdens de crisisjaren in België

België is de financiële en daaropvolgende economische crisis goed doorgekomen. Onze val in BBP groei was beperkt, de welvaartsstaat trad op als buffer (onder meer via het stelsel van de tijdelijke werkloosheid) en de middenklasse bleef goed beschermd. In De Morgen besloot Ive Marx dan ook terecht dat de sociale impact van de crisis in ons land mild is gebleven.

Een dimensie die in de berichtgeving over de stabiele situatie van de middenklasse wat buiten beeld blijft is wat er is gebeurd aan de onder- en bovenkant van de inkomensverdeling: is de welvaartsstaat voor iederéén een buffer geweest, of zijn de hoge of lage inkomens als verliezers of winnaars uit de bus van de voorbije crisisperiode gekomen?

Lees verder De verdeling van de inkomens tijdens de crisisjaren in België

Heeft de modale Vlaming twee (of meer) huizen?

In het kader van de veelbesproken tax shift ontspon zich onlangs een politieke discussie waarin de modale Vlaming centraal stond. Kris Peeters (CD&V) bond de kat de bel aan met het voorstel om de onroerende voorheffing te verhogen voor alle huizen die niet als gezinswoning dienen. Open-VLD en N-VA reageerden als door een wesp gestoken. “Je kunt wel mikken op dat ene procent van echte rijken, maar voor je het weet belast je weer de modale Vlaming”, wist Matthias Diependaele van N-VA. “Wie heeft zo’n tweede woning? Vaak gaat het om gepensioneerden die een huis of een appartement verhuren om hun eigen bescheiden pensioentje aan te vullen. Als je die mensen extra belast, tref je de verkeerde groep”, klonk het bij Bart Somers van Open VLD. Vreemd genoeg nam ook Peeters’ partijgenoot Koen Vandenheuvel min of meer afstand van het oorspronkelijke voorstel: “Veel Vlamingen bezitten een tweede woning, weinigen een derde, laat staan een veelvoud daarvan.”

Of een verschuiving van de belastingdruk naar onroerend goed wenselijk is, is in de eerste plaats een politieke en normatieve vraag. Of veel Vlamingen een tweede woning bezitten en dat een verhoging van de onroerende voorheffing voornamelijk de middenklasse zou treffen is echter een empirische vraag. Hoog tijd dus om de retoriek aan de werkelijkheid te toetsen.

Lees verder Heeft de modale Vlaming twee (of meer) huizen?

Mythes en feiten omtrent de Belgische werkloosheidsverzekering

Uitkeringen voor gezonde burgers op actieve leeftijd, werkloosheidsuitkeringen en sociale bijstandsuitkeringen (het leefloon) zijn niet populair. Enquêtes wijzen keer op keer uit dat mensen het minst bereid zijn om solidair te zijn met gezonde werklozen. 1 (Tim Reeskens beschreef op deze website overigens mooi hoe er binnen die groep van werklozen nog een verder onderscheid wordt gemaakt tussen zij die steun verdienen en zij die dat niet verdienen.) Bovendien leeft in de hoofden van veel mensen een wij-zij dichotomie: wie hard werkt betaalt voor wie zich wentelt in de hangmat van de werkloosheid waar men kan genieten van hoge uitkeringen; het sociaal profitariaat in actie.

Ook politici bezondigen zich vaak aan het creëren van een negatieve perceptie rond de Belgische werkloosheidsverzekering. Vaak wordt daarbij verwezen naar het aantal werklozen en dito uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen die in ons land buitensporig hoog zouden zijn. Denk aan Open-VLD’er Rik Daems (foto) die in 2013 in een opiniestuk in De Morgen het volgende schreef:

Momenteel zijn er 559.000 werklozen in België, waarvan 417.000 uitkeringsgerechtigd. Dit kost de samenleving 8,9 miljard euro of maar liefst 25 procent van de personenbelasting, waar in de perceptie niets tegenover staat. Dat bedreigt het draagvlak voor onze solidariteit.

Of Bart De Wever (N-VA) die voor de verkiezingen in Trends verklaarde dat we “in bbp-termen twee keer meer uitgeven aan arbeidsmarktbeleid dan onze buurlanden; dan heb je toch een probleem.” Er moet dus hervormd worden, en vaak komt daarbij de onbeperktheid in de tijd van de werkloosheidsuitkeringen in het vizier. In een interview met De Standaard stelde Ben Weyts (N-VA) bijvoorbeeld dat het beperken van de uitkeringen in de tijd een ‘gigantische besparing’ zou opleveren.

Lees verder Mythes en feiten omtrent de Belgische werkloosheidsverzekering

Notes:

  1. Zie bijvoorbeeld het onderzoek van Wim van Oorschot hieromtrent.

Kinderbijslag is er voor iedereen: waarom ‘Markske’ ongelijk heeft

In het Radio 2–programma De Rotonde liet Herman Verbruggen – ‘Markske van de Kampioenen’ voor de connaisseurs – zich uit over de toekomst van de kinderbijslag, en dat heeft heel wat weerklank gevonden in de geschreven pers (De Standaard, De Morgen). Op zich is het uiteraard al verbazingwekkend dat een acteur met een mening nieuwswaardig blijkt te zijn, het is ook niet de eerste keer dat Verbruggen zich uitlaat over politieke en sociale thema’s. Denk aan deze mijns inziens bedenkelijke passage in Reyers Laat waarin hij het imago van Liesbeth Homans verklaart door de stand van haar mondhoeken en zich en stoemelings out als haar fan.

Maar goed, terug naar de kinderbijslag. Verbruggen stelt dat kindergeld geven aan tweeverdieners boven je stand leven is als maatschappij: “het wordt hoog tijd dat mensen beseffen dat je geen geld kan maken dat er niet is.” Hij vervolgt: “We zouden beter enkel geld geven aan mensen die het nodig hebben, die het financieel moeilijk hebben omdat ze niet kunnen werken door omstandigheden.” Hoewel zijn opmerking is ingebed in een besparingslogica is zijn reflex sociaal: “Het gaat over prioriteiten stellen: ik kan gerust zonder de nieuwste telefoon als minder kindergeld betekent dat ik de broeksriem wat moet aanhalen. Maar voor sommige mensen kan dat geld een gróót verschil betekenen.” Verbruggen is uiteraard niet de eerste die de universele kinderbijslag in vraag stelt. In de jaren vijftig werd het debat al gevoerd of de rijken wel kinderbijslag nodig hadden. Zelfs Louis Tobback stelde in 1995 de vraag of het zin heeft “om kinderbijslag te geven aan een gezin dat massa’s geld verdient?” En ook in Nederland woedt vandaag dat debat.

Toch is het geen goed idee.

Lees verder Kinderbijslag is er voor iedereen: waarom ‘Markske’ ongelijk heeft

Hoe ongelijkheid kan ontstaan: het Mattheuseffect van sport tot kinderopvang

Recent mocht ik de loterij van mijn geboorte weer eens vieren en dat deed mij er aan denken dat niet alleen de plaats waar je wordt geboren een impact heeft op je latere levenskansen, maar ook je geboortedatum zelf. In veel competitiesporten heeft de maand waarin je wordt geboren een impact op je kansen om de top te bereiken, ongeacht je talent of je inspanning. Dat heet het relatieve leeftijdseffect; niet louter een aardig wist-je-datje maar vooral een illustratie dat sport helemaal niet zo’n meritocratisch karakter heeft als vaak wordt aangenomen. Daaruit vallen niet alleen lessen te trekken voor de organisatie van heel wat competitiesporten, maar ook voor de organisatie van de samenleving in het algemeen.

IJshockey

Laat ons het voorbeeld van ijshockey van naderbij bekijken. Geboren worden met het talent voor deze sport is een kwestie van geluk (als men een ijshockeyspeler wil worden, uiteraard). Maar er is meer aan de hand. In de jaren 1980 deed de Canadese psycholoog Roger Barnsley een verrassende ontdekking: een overgrote meerderheid van de professionele hockeyspelers bleek geboren te zijn in de eerste maanden van het jaar. Figuur 1 toont hoe spelers die geboren werden in de eerste drie maanden van het jaar oververtegenwoordigd waren in de topteams van elke competitie die in de analyse was opgenomen (de blauwe balkjes), een oververtegenwoordiging die niet verwacht kon worden op basis van de verdeling van de geboortemaanden van de jongeren die instroomden in deze sport.

Bron: Barnsley RH, Thompson AH (1988). Birthdate and success in minor hockey: The key to the N.H.L. Canadian Journal of Behavioral Science 20, 167-176

Lees verder Hoe ongelijkheid kan ontstaan: het Mattheuseffect van sport tot kinderopvang

Een eerste blik op het nieuwe Vlaamse armoedebeleid

In haar eerste interview als Vlaams minister van armoedebestrijding laat Liesbeth Homans optekenen dat het armoedebeleid in het verleden fout werd aangepakt.

“Zijn we gebaat met jaarlijks vijf handboeken met de analyse hoe erg het gesteld is met de armoede in Vlaanderen? Ik denk het niet. We weten het intussen hoor. Hoewel ik het belang van wetenschappelijke studies uiteraard niet minimaliseer. Ik hoef geen jaarlijkse doorlichting meer van het fenomeen dat kinderen zonder boterhammen naar school moeten. Ik wil dat elk kind met een volle boterhammendoos naar school kan. Dat is een andere houding.”

In het verleden heb ik wel vaker de bedenking gemaakt dat armoedebestrijding in België en Vlaanderen fout werd aangepakt. Een andere houding lijkt dus welkom. Homans’ “We weten het intussen hoor” suggereert echter dat de wetenschappelijke inzichten met betrekking tot armoedebestrijding nu wel zijn doorgesijpeld naar het beleid. Welaan dan, laat ons even de proef op de som nemen: in hoeverre zijn de maatregelen waarvan uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat ze effectief zijn in het bestrijden van armoede opgenomen in het Vlaamse regeerakkoord?

Wat leert het wetenschappelijk onderzoek?

Armoede is in essentie een probleem van te weinig middelen op het niveau van het gezin. Concreet worden mensen als arm (of beter: levend met een risico op armoede) beschouwd wanneer hun netto besteedbaar gezinsinkomen lager is dan de armoedegrens. Die armoedegrens is relatief en hangt bijgevolg af van het algemeen welvaartsniveau van een land (de grens ligt dus bijvoorbeeld een pak hoger in Luxemburg dan in Roemenië), en weerspiegelt het minimum minimorum. 1 Belangrijk hierbij is de gezinsdimensie: armoede is geen kwestie van weinig verdienen als individu, het is een kwestie van leven in een gezin waar alle inkomens samen (kinderbijslagen, arbeidsinkomens en uitkeringen) niet toereikend zijn en minder zijn dan het bedrag dat de armoedegrens markeert. Kort samengevat: armoede is het uitgesloten zijn van een menswaardig leven door een gebrek aan middelen. Als dergelijke situatie te lang aanhoudt, raak je als vanzelf verstrikt in een web van problemen en uitsluiting waar je zelf niet meer uit kunt klauteren.

Lees verder Een eerste blik op het nieuwe Vlaamse armoedebeleid

Notes:

  1. Deze inkomensgrens correspondeert voor ons land goed met de referentiebudgetten, budgetnormen die gebaseerd zijn op reële korven van goederen en diensten die noodzakelijk worden geacht om menswaardig te leven. Voor België geeft de relatieve ‘armoederisiconorm’ dus een accuraat beeld van welke middelen men nodig heeft om op een menswaardige manier te kunnen deelnemen aan de samenleving.

De Ivoren Toren – een introductie

Wie over de samenleving wil nadenken, kan er niet buiten blijven staan. Nochtans was de afzondering van de wereld gedurende grote delen van de Westerse geschiedenis een deugd veeleer dan een zonde. De kunstgeschiedenis bulkt van de symbolen die de afzondering van de wereld verheerlijken. Zo ook de ivoren toren, vaak afgebeeld als onderdeel van de Mariaverering die vanaf de late middeleeuwen aan grote populariteit won in onze gebieden.

Annunciatie met eenhoorn, c. 1500 (Nederlanden).
Annunciatie met ivoren toren, c. 1500 (Nederlanden).

De beeldspraak van de ivoren toren gaat terug op het Oudtestamentische Hooglied, waarin Salomo de hals van zijn bruid bezingt als een toren van ivoor. Geïnterpreteerd als een metafoor voor de liefde tussen de gelovige en het goddelijke, ontpopte de sensuele aanbidding uit het Hooglied zich tijdens de middeleeuwen tot een beschrijving van de maagd Maria. De ivoren toren van Salomos bruid werd zo een symbool voor de manier waarop Jezus bij haar geconcipieerd werd: edel en onaangetast; zuiver en onbevlekt.  Samen met een lange reeks andere iconografische symbolen zoals die van de besloten tuin of hortus conclusus, werd het een teken van zuiverheid en ongereptheid ten overstaan van de zondige, wereldse realiteit…

Lees verder De Ivoren Toren – een introductie