Complexloze fiscaliteit (reactie op Van Quickenborne in DM 09/04/2015)

Ieder jaar wordt de bepaling van netto-inkomens voor personen en bedrijven ingewikkelder. Complexe belastingsystemen brengen hoge kosten met zich mee, fiscalisten doen gouden zaken, en minder geïnformeerde burgers en bedrijven lopen middelen mis of maken slechte economische beslissingen. Een goede zaak dus dat Van Quickenborne dit probleem aankaart in DM van 9 april.

Hij doet daarnaast ook interessante voorstellen om het burgerschap te verhogen. De overheid kan nog veel leren van andere landen (en steden) hoe meer directe participatie in het beleidsproces te introduceren en hoe transparant te communiceren over hoe ze haar middelen verkrijgt en weer uitgeeft. The International Budget Partnership (mijn vorige werkgever) strijdt wereldwijd al meer dan 15 jaar voor meer transparantie en inspraak in het begrotingsproces, ik ben zeker dat de organisatie Van Quickenborne nog meer kan inspireren in zijn inspanningen hieromtrent. Ook dichter bij huis pleit o.a. Maarten Lambrechts, datajournalist bij De Tijd, er al langer voor om de data uit de belastingaangifte en andere fiscale formulieren te ondersteunen op een grafische manier. Allemaal initiatieven die ik een warm hart toedraag.

Het is met Van Quickenborne’s oplossingen voor het complexiteitsvraagstuk dat ik meer moeite heb. Hij vertrouwt erop dat als we de belastingen zouden verlagen, een proces in gang gezet wordt dat leidt tot fiscale vereenvoudiging, tot meer rechtvaardigheid, én meer inkomsten. De verlaagde complexiteit zou automatisch volgen omdat er bij lagere lasten minder redenen zijn om te corrigeren via uitzonderingen en specifieke fiscale instrumenten. Ik deel die overtuiging niet. Omdat ik niet weet welk ethisch kader Van Quickenborne en andere OpenVld kopstukken hanteren om lagere belastingen te linken aan meer rechtvaardigheid, doe ik hierover (nu) geen uitspraken.

Lees verder Complexloze fiscaliteit (reactie op Van Quickenborne in DM 09/04/2015)

Mythes en feiten omtrent de Belgische werkloosheidsverzekering

Uitkeringen voor gezonde burgers op actieve leeftijd, werkloosheidsuitkeringen en sociale bijstandsuitkeringen (het leefloon) zijn niet populair. Enquêtes wijzen keer op keer uit dat mensen het minst bereid zijn om solidair te zijn met gezonde werklozen. 1 (Tim Reeskens beschreef op deze website overigens mooi hoe er binnen die groep van werklozen nog een verder onderscheid wordt gemaakt tussen zij die steun verdienen en zij die dat niet verdienen.) Bovendien leeft in de hoofden van veel mensen een wij-zij dichotomie: wie hard werkt betaalt voor wie zich wentelt in de hangmat van de werkloosheid waar men kan genieten van hoge uitkeringen; het sociaal profitariaat in actie.

Ook politici bezondigen zich vaak aan het creëren van een negatieve perceptie rond de Belgische werkloosheidsverzekering. Vaak wordt daarbij verwezen naar het aantal werklozen en dito uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen die in ons land buitensporig hoog zouden zijn. Denk aan Open-VLD’er Rik Daems (foto) die in 2013 in een opiniestuk in De Morgen het volgende schreef:

Momenteel zijn er 559.000 werklozen in België, waarvan 417.000 uitkeringsgerechtigd. Dit kost de samenleving 8,9 miljard euro of maar liefst 25 procent van de personenbelasting, waar in de perceptie niets tegenover staat. Dat bedreigt het draagvlak voor onze solidariteit.

Of Bart De Wever (N-VA) die voor de verkiezingen in Trends verklaarde dat we “in bbp-termen twee keer meer uitgeven aan arbeidsmarktbeleid dan onze buurlanden; dan heb je toch een probleem.” Er moet dus hervormd worden, en vaak komt daarbij de onbeperktheid in de tijd van de werkloosheidsuitkeringen in het vizier. In een interview met De Standaard stelde Ben Weyts (N-VA) bijvoorbeeld dat het beperken van de uitkeringen in de tijd een ‘gigantische besparing’ zou opleveren.

Lees verder Mythes en feiten omtrent de Belgische werkloosheidsverzekering

Notes:

  1. Zie bijvoorbeeld het onderzoek van Wim van Oorschot hieromtrent.

Hoe krijgen we goede wetenschap? Kiezen tussen overheid en competitie

Het is wellicht wat onkies om enerzijds je blog tongue-in-cheek de naam ‘Ivoren Toren’ mee te geven, en vervolgens ook effectief over het academische reilen en zeilen te gaan zeuren. Niettemin bezondig ik me – alle goede voornemens voor het nieuwe jaar ten spijt – vandaag toch eens aan dergelijke navelstaarderij. Want wanneer het in onze toren drupt, dan plenst het daar buiten.

Concurrentie = efficiëntie? 

Zo ook met de veronderstelling dat competitie het beste in ons naar boven brengt. Met elkaar wedijveren op het scherp van de snee, de zwakste schakels elimineren, en er zo gezamenlijk op vooruit gaan: zo zien we sinds Darwin de wetten der natuur, dus waarom ook niet die van de samenleving? Het is in ieder geval de impliciete redenering achter de manier waarop ons huidige wetenschappelijke systeem functioneert. Indien wetenschappers met elkaar concurreren, zal uit die eindeloze bokswedstrijd als vanzelf het beste onderzoek als overwinnaar uit de bus komen. Meer dan een boksring en enkele onafhankelijke collega’s die als scheidsrechter optreden (peer-reviewers) heeft men verder niet nodig.

Lees verder Hoe krijgen we goede wetenschap? Kiezen tussen overheid en competitie

Gezinssteun > kinderbijslagen

Kinderbijslagen staan sinds de verkiezingscampagne weer in het middelpunt van de belangstelling. De nieuwe Vlaamse regering zegt er in haar regeerakkoord het volgende over:

De bevoegdheidsoverdracht van de gezinsbijslagen geeft ons de kans om het stelsel grondig te vereenvoudigen. Omdat we vinden dat elk kind gelijk is, geven we een gelijke basiskinderbijslag. We schaffen de rangorderegeling en leeftijdstoeslag af, behouden een toeslag voor kinderen met bijzondere zorgnoden en voor wezen, en voeren een sociale toeslag in voor kinderen die opgroeien in een gezin met een laag inkomen, waarbij we rekening houden met de gezinsgrootte.

Het publieke debat over kinderbijslagen is wenselijk, ze zijn een belangrijke, en voor velen onmisbare, financiële ondersteuning. Jammer dat we een groot deel van die steun onbelicht laten. Het feit dat het debat zich slechts toespitst op kinderbijslagen en niet op alle andere vormen van gezinssteun is tekenend voor de grote versnippering van het beleid.

Lees verder Gezinssteun > kinderbijslagen

Over transfers. Nogmaals.

123

VIVES, het Vlaams Instituut voor Economie en Samenleving aan de KU Leuven, heeft een nieuwe Briefing uit. Hierin worden de publieke transfers tussen Belgische gewesten nogmaals in kaart gebracht, en dit voor de periode 2007-2011. DS berichtte hierover onder de titel ‘transfers tussen deelstaten dalen niet’. Dat had ook ‘stijgen niet’ (zoals in L’echo) kunnen zijn, of ‘blijven gelijk’ (zoals op pagina 12 van DS), maar men koos voor het eerste, temeer omdat VIVES zelf een verlaging verwacht had. Vlaanderen had als exportregio immers meer onder de crisis te lijden dan de rest van het land in die periode, en dan verwacht je nu eenmaal lagere transfers. De studie haalt drie redenen aan waarom het nuttig is naar transfers op zich te kijken en waarom ze zo schadelijk zijn: (1) ze zouden de economische groei in ontvangende regio’s verminderen en zo de ongelijkheid verder vergroten, (2) ze geven aanleiding tot ongewenst politiek gedrag; en (3) in het geval van grote solidariteit zullen lagere overheden anticiperen dat hun slechte beleid gecompenseerd zal worden door de federatie.

Het is in dit stuk voor één keer niet onze bedoeling in te gaan op deze argumenten, die elk een zekere grond hebben. Wel willen we erop wijzen dat dit zogenaamde tweede-orde effecten zijn, en richten we de aandacht liever op de olifant in de kamer: de onderliggende bestaansredenen van de transfers zelf.

Lees verder Over transfers. Nogmaals.

Het nieuwe café en stadsvernieuwing: wie maakt de Dampoortwijk van de toekomst?

‘Er is hier weinig aan de Dendermondsesteenweg.’ De uitspraak komt van de uitbater van een nieuwe bar vlakbij de Gentse Dampoort. De uitspraak bevreemdt. Er is namelijk heel veel aan de Dendermondsesteenweg. Er is een levendige Turkse horeca en kleinhandel. Sommige van die zaken zijn succesvol, anderen veel minder. Ook de klassieke blanke middenstand is er met onder meer bakkers en apothekers nog steeds vertegenwoordigd, al sloten recent nog twee gevestigde kleerwinkels de deuren. Daarnaast zijn er de pogingen van onder meer de Bulgaarse gemeenschap om er voet aan de grond te krijgen.

De komst aan de Dendermondsesteenweg van de koffiebar Clouds in my Coffee twee jaar geleden en nu Café Alberte en bookshop Riot is een goede zaak voor de wijk. De bevolking  verandert. Naast de recente komst van Oost-Europese nieuwkomers is er ook een instroom van nieuwe stedelijke middenklassers. Net zoals elke andere bevolkingsgroep zoeken die naar ankerpunten in de buurt. Ze willen zich er (terecht) in kunnen herkennen en zoeken naar plaatsen waar ze gelijkgezinden kunnen ontmoeten.

Lees verder Het nieuwe café en stadsvernieuwing: wie maakt de Dampoortwijk van de toekomst?

“Beperk de werkloosheidsuitkering aan immigranten”

Nu de Zweedse coalitie onder leiding van Charles Michel haar beleidsbrieven heeft voorgelegd, lijkt de sociale zekerheid zwaar te moeten delen in de bezuinigingen. Maar staat in deze economische barre tijden ook ons solidariteitsgevoel onder druk? Wie gunnen we eigenlijk een genereuze uitkering? Diegenen die dat het hardst nodig hebben? Diegenen die buiten hun eigen schuld in de problemen zijn gekomen? Of zij die het meest op ons lijken? Via een grootschalig experiment onder 23.000 leden van het Opiniepanel van EenVandaag – een Nederlands actualiteitenprogramma dat geen tegenhanger heeft in Vlaanderen – heb ik, samen met Tom van der Meer, onderzocht welke criteria voor Nederlanders het belangrijkst zijn.

De meest opvallende bevinding? We gunnen de werkloze van buitenlandse origine minder dan eenzelfde autochtone werkloze.

Lees verder “Beperk de werkloosheidsuitkering aan immigranten”

Kinderbijslag is er voor iedereen: waarom ‘Markske’ ongelijk heeft

In het Radio 2–programma De Rotonde liet Herman Verbruggen – ‘Markske van de Kampioenen’ voor de connaisseurs – zich uit over de toekomst van de kinderbijslag, en dat heeft heel wat weerklank gevonden in de geschreven pers (De Standaard, De Morgen). Op zich is het uiteraard al verbazingwekkend dat een acteur met een mening nieuwswaardig blijkt te zijn, het is ook niet de eerste keer dat Verbruggen zich uitlaat over politieke en sociale thema’s. Denk aan deze mijns inziens bedenkelijke passage in Reyers Laat waarin hij het imago van Liesbeth Homans verklaart door de stand van haar mondhoeken en zich en stoemelings out als haar fan.

Maar goed, terug naar de kinderbijslag. Verbruggen stelt dat kindergeld geven aan tweeverdieners boven je stand leven is als maatschappij: “het wordt hoog tijd dat mensen beseffen dat je geen geld kan maken dat er niet is.” Hij vervolgt: “We zouden beter enkel geld geven aan mensen die het nodig hebben, die het financieel moeilijk hebben omdat ze niet kunnen werken door omstandigheden.” Hoewel zijn opmerking is ingebed in een besparingslogica is zijn reflex sociaal: “Het gaat over prioriteiten stellen: ik kan gerust zonder de nieuwste telefoon als minder kindergeld betekent dat ik de broeksriem wat moet aanhalen. Maar voor sommige mensen kan dat geld een gróót verschil betekenen.” Verbruggen is uiteraard niet de eerste die de universele kinderbijslag in vraag stelt. In de jaren vijftig werd het debat al gevoerd of de rijken wel kinderbijslag nodig hadden. Zelfs Louis Tobback stelde in 1995 de vraag of het zin heeft “om kinderbijslag te geven aan een gezin dat massa’s geld verdient?” En ook in Nederland woedt vandaag dat debat.

Toch is het geen goed idee.

Lees verder Kinderbijslag is er voor iedereen: waarom ‘Markske’ ongelijk heeft

Het goede leven als technologisch ontwerp

Met zijn meest recente boek Op de vleugels van Icarus: hoe techniek en moraal met elkaar meebewegen bekent de Nederlandse techniekfilosoof Peter-Paul Verbeek zich tot het vooruitgangsdenken dat heden ten dage floreert. Eerder dan een innovatie als de Googlebril, prenatale diagnostiek of de zelfrijdende auto te beoordelen in termen van zwart of wit, wijst Verbeek immers telkens op de veelkleurige mogelijkheden die deze nieuwe technologieën openen om het goede leven actief vorm te geven. Wil de ethiek zichzelf niet langer veroordelen tot een gevecht in de achterhoede van technologische evoluties die al lang een feit zijn, zo luidt zijn centrale betoog, dan dient ze zich dringend te buigen over de vraag wat voor technologisch leven we willen leiden. Verbeeks ‘possibilistische’ insteek is een ware verademing in het gespleten technologiedebat waar utopische innovatieriedels de strijd aangaan met apocalyptische doembeelden. Alleen stelt zich uiteindelijk de vraag of Verbeeks vooruitgangsdenken niet al te mak meebeweegt met de techniek.

Lees verder Het goede leven als technologisch ontwerp

Utopisch denken in post-ideologische tijden

Historicus Rutger Bregman heeft zich op korte tijd een prominente positie verworven als opiniemaker in Vlaanderen en Nederland. Hij is (veelgelezen) verslaggever bij de Correspondent en auteur van het vorig jaar verschenen De Geschiedenis van de Vooruitgang (bekroond tot Liberales-boek 2013). Recent gaat hij vooral op zoek naar grote ideeën die de klassieke links-rechtstegenstellingen overstijgen, een betrachting die hij met andere (al dan niet zelfverklaarde) ‘post-ideologische’ denkers – zoals Frank van Massenhove – deelt. Vorige maand verscheen Bregmans nieuwste boek, “Gratis geld voor iedereen. En nog vijf grote ideeën die de wereld kunnen veranderen”, en sinds vorige week valt ook zijn TEDx-praatje waarin hij één van de hoofdstukken van het boek uit de doeken doet online te vinden.

Het succes van Bregmans pleidooi voor een ‘universeel basisinkomen’ en ‘gratis geld voor iedereen’ (de TEDx-talk werd reeds meer dan 37.000 keer bekeken, om maar iets te zeggen) is opvallend in deze tijden. Of toch niet helemaal? Op vraag van Sampol  1 las ik “Gratis geld voor iedereen”, en bleef daarbij enigszins met gemengde gevoelens achter.  Het boek is een bundeling van zes ideeën die volgens Bregman kunnen fungeren als nieuwe utopieën voor links en rechts. Bregmans uitgangspunt is immers dat we het vandaag beter hebben dan ooit te voren – we leven letterlijk in luilekkerland – en daardoor hebben we, zoals Fukuyama reeds drie decennia geleden verkondigde, het einde van ideologie en vooruitgang bereikt. En dat is spijtig, vindt Bregman. Want ook al is de 21ste eeuw een luilekkerland, als we willen blijven vooruitgaan, zullen we nieuwe utopieën nodig hebben om ons tot verdere progressie te brengen. De ideeën die in de verschillende hoofdstukken uiteen gezet worden (zelf noemt Bregman ze utopieën) kunnen daar, volgens hem, toe dienen.

Als het op de kracht van ideeën aankomt, behoort Bregman duidelijk tot de TED-generatie: het naïeve (maar niet onschuldige) geloof dat ideeën een autonome kracht van verandering vormen, belijdt hij zonder schroom. Dat geldt niet alleen voor het geloof in de mogelijkheden die Bregmans voorgestelde utopieën bieden, maar evenzeer voor zijn interpretatie van het verleden. Voor een kijk op historische verandering die meer fundamentele factoren zoals machtsrelaties of sociaal-economische structuren, aan bod laat komen, moet je niet bij Bregman zijn. Ook wie de geschiedenis niet ziet als een lineair verhaal van vooruitgang met het heden als onvermijdelijke uitkomst, zal wellicht meermaals grote ogen trekken bij het uitgangspunt van “Gratis geld voor iedereen.”

De essentie van het boek bestaat echter uit de utopische ideeën die Bregman zelf voor te stellen heeft. Concreet gaat het om het basisinkomen, een werkweek van 15 uur, het uitroeien van armoede door het geven van geld, het zoeken van een alternatieve maatstaf voor economische groei, en een wereld met ‘open grenzen’ voor migratie. Heel wat van die ideeën zijn interessant en het overdenken waard. Hier op de Toren had Bert De Munck het onlangs nog over de nood aan het herdenken van de relatie tussen arbeid en gemeenschap, en het onvermogen van zowel politiek als vakbonden om dat te doen. Het is de grote verdienste van Bregman dat hij wel stappen die daartoe kunnen leiden (zoals het basisinkomen of de kortere werkweek) tracht uit te werken. Hij steunt daarbij op een handvol bestsellers uit de recente pop-science van de sociale wetenschappen – onder andere Wilkinson & Pickett (The Spirit Level), Duflo & Banerjee (Poor Economics), Mullainathan & Shafir (Scarcity), en Gregory Clark (A Farewell to Alms) passeren meermaals de revue – maar hij vult ze tevens aan met de grote klassiekers uit de sociale wetenschappen.

Maar welke visie schuilt nu precies achter Bregmans branie, schrijfkunst, en utopische ijver? Zelf drukt de auteur ons op het hart het woord utopie niet al te revolutionair te interpreteren, en zeker niet in het genre van de “afschuwelijke utopieën uit het verleden (fascisme, communisme, nazisme).” Neen, voor Bregman is een utopie niet meer dan “het geloof in vooruitgang.” Waar al dat vooruit marcheren precies heen moet – en wie daarbij voorop mag lopen – blijft doorheen het boek onbeantwoord. Het is een vreemde vaststelling voor een boek dat de utopie hoog in het vaandel draagt, maar het eindpunt van Bregmans vooruitgang wordt nergens gespecificeerd. Ook naar de vraag “Cui bono?” (“wie vaart er wel bij?”) is het lang zoeken. Het duurt tot halverwege het boek (p. 102) vooraleer Eldar Shafir er (in een interview met Bregman) op wijst dat “gratis geld voor iedereen” niet volstaat – immers: “het gaat ook om de verdeling.” Armoede is niet alleen – of zelfs in de eerste plaats – een gebrek aan geld, maar een gevolg van een ongelijke verdeling van economische middelen, politieke macht, en sociale posities. Zonder op die cruciale bekommernis een repliek te formuleren, concludeert Bregman amper twee pagina’s verder alweer dat armoede niets meer is dan “een fundamenteel geldgebrek.” 

In de inleiding van zijn boek zet Bregman zich scherp af tegen het inspiratieloze gemorrel in de marge dat onze post-ideologische politiek zonder utopieën vandaag karakteriseert. Maar hoeveel verder komen zijn eigen ideeën? Het is opvallend dat Bregmans utopieën ondersteund worden door een politieke logica die perfect in het hedendaagse politieke denkkader past, zoals dat binnen de lijnen van het neoklassieke economisch model wordt uitgezet. Zo is het basisinkomen het nastreven waard omdat het een einde zal brengen aan de “overheidsbetutteling”, en een financiële besparing vormt ten opzichte van de complexe sociale welvaartsstaat van vandaag (en een publieke subsidiëring van lage-lonen-arbeid, volgens critici, maar daarover geen woord in dit boek). Ook het invoeren van een kortere werkweek wordt door Bregman gelegitimeerd met behulp van een efficiëntie- en besparingslogica. En zelfs het uitdelen van gratis geld als middel om wereldwijde armoede op te lossen, zou volgens Bregman in de eerste plaats een besparing betekenen ten opzichte van de dure en inefficiënte ontwikkelingshulp vandaag.

In dat opzicht zijn de utopieën van Bregman niet zo radicaal als ze op het eerst zicht lijken. Het zijn in de eerste plaats creatieve oplossingen voor problemen die zich (vooral) stellen indien men vasthoudt aan de mantra’s van het huidige politieke denken: de weldaad van kapitalistische economische groei, de wenselijkheid van onstuitbare technologische ontwikkeling, en de idee dat iedereen ten lange leste bij beide wel zal varen. Dat die oplossingen bovendien politiek neutraal zouden zijn (want voorbij links-rechts tegenstellingen), lijkt me weinig waarschijnlijk. Het afbreken van de sociale zekerheid en de welvaartsstaat ten voordele van een universeel basisinkomen; het aanpakken van extreme financiële armoede en het tegelijk ongemoeid laten van ongelijkheid; het formuleren van maatschappelijke vooruitgang in termen van een economische efficiëntie-logica: het zijn punten waar zelfs de klassieke links-rechts tegenstelling nog lang niet over uitgepraat is.

Notes:

  1. Recensie in het november-nummer. Deze post steunt in grote mate op die tekst.