Het echte mysterie van Jack the Ripper

Je moest het de voorbije dagen weliswaar gaan zoeken in de kleine kolommen, maar niettemin rapporteerden enkele kranten deze week dat eén van de meest bedenkelijke headlines van afgelopen zomer een voorspelbaar staartje krijgt. Die kop dateerde van begin september en vond haar weg van de Engelse tabloids naar onze eigen kwaliteitspers. “Jack the Ripper was een Pools immigrant” zo schreef De Standaard op 7 september.

De Redactie was iets minder zeker van haar stuk, en stelde de titel in vraagvorm: “Was Jack the Ripper een Poolse immigrant met joodse roots?” Ook the Guardian hield nog enigszins een slag om de arm met “Jack the Ripper was Polish immigrant Aaron Kosminski, book claims.” De Morgen liet zich echter net zo min als De Standaard onbetuigd, en kopte stellig “DNA onthult identiteit na 126 jaar.” Dat eerdere berichten als “Seriemoordenaar Jack the Ripper was een vrouw” (DM, 09/05/12) daarmee enigszins aan waarheidsaanspraak moesten inboeten, nam men er op de redactie wellicht voor lief bij.

Het verhaal in kwestie vond haar oorsprong bij zakenman Russel Edwards, die in 2007 op een veiling de sjaal op de kop kon tikken die in 1888 bij het lichaam van Ripper slachtoffer Catherine Eddowes werd gevonden. Edwards zette zich aan de slag, liet de DNA-sporen op de sjaal analyseren door een Finse onderzoeker, en schreef er een boek over, getiteld “Naming Jack the Ripper.” Het sensationele nieuws dat de DNA-analyse van de sjaal onmiskenbaar de Pool Aaron Kosminski als dader aanduide, werd verkocht aan de tabloid The Mail on Sunday en luidde de lancering van het boek spectaculair in. En de internationale media, die kirde lustig mee. Een wereldberoemde historische whodunit die populistische cliché’s bekrachtigt met behulp van de nieuwste wetenschappelijke methodes: wat wil men nog meer?

Dat de bewijslast lekker was dan een vergiet (een sjaal die 120 jaar lang onbeschermd tentoon gesteld werd, lijkt een weinig betrouwbare bron van DNA-stalen) was geen bezwaar. Tot The Independent dit weekend bekend maakte dat een fout in de DNA-analyse zelf de hele interpretatie ondermijnt. Terug naar af dus: de identiteit van Jack the Ripper is helemaal niet bekend – ook al ziet het er niet naar uit dat lezers van De Standaard of De Morgen met een rechtzetting verveeld zullen worden. Wellicht duurt het tot de kwaliteitsmedia volgend jaar uitpakken met het nieuws dat Jack the Ripper weer – ditmaal écht zeker – iemand anders was, vooraleer de arme Kosminski vrijuit gaat.

De buitensporige aandacht waarop het doorzichtige commerciële manoeuvre van Russel Edwards kon rekenen, zegt niet alleen iets over de staat van onze copy-paste media. Het zegt ook wat over onze blik naar het verleden. Het gemak waarmee categorieën als criminaliteit, immigratie en Oost-Europa onderling verbonden worden en een tijdloos karakter toebedeeld krijgen, bijvoorbeeld. Alle superlatieven over de grootsheid van het mysterie ten spijt, werd bitter weinig moeite gedaan om de moorden van Jack the Ripper in hun context te plaatsen, te duiden, of te begrijpen. Over het stedelijk weefsel, de sociale structuur, het denken over seksualiteit en het voorkomen van criminaliteit in Victoriaans London geen woord. Maar een Poolse immigrant, of die nu in de 21ste of in de 19de eeuw leefde, daar kunnen we ons wel wat bij voorstellen. En zo wordt het verleden de spiegel van ons eigen bekrompen denken. Zo kan het ten hoogste cliché’s en vooroordelen weerkaatsen en bij gratie daarvan nog eens extra belichten.

Het echte mysterie van Jack the Ripper is niet de ‘ware identiteit’ van de man die vijf slachtoffers maakte in het Londen van de jaren 1880. Een groter mysterie is het gemak waarmee vooroordelen en wantrouwen op basis van afkomst ook na 120 jaar verkopen als zoete broodjes, en daarbij (onverwachte) bondgenoten vinden bij de autoriteit van moderne wetenschap en de vluchtigheid van onze media.

Meer van hetzelfde werk

Zoals te verwachten was krijgt het kersverse regeerakkoord tegenwind van linkse en centrumlinkse oppositiepartijen en opiniemakers, maar één element lijkt wat aan de aandacht te ontsnappen, namelijk de geplande gemeenschapsdienst voor langdurig werklozen, dat ook reeds in het Vlaamse regeerakkoord ter sprake kwam. Brengt deze maatregel een nieuwe visie op werken of gaat het om meer van hetzelfde?

Op het eerste gezicht past het in een simpel verhaal van voor-wat-hoort-wat: wie financiële steun krijgt van de gemeenschap kan worden gevraagd daar iets voor terug te doen. Optimisten kunnen er bovendien een revolutionair nieuwe benadering van arbeid in zien, waarbij niet gewerkt wordt voor een loon of persoonlijke materiële welvaart, maar in dienst van een bredere gemeenschap. Hoe mooi zou dat niet zijn? In het regeerakkoord wordt het echter netjes gekaderd in trajectbegeleiding en activering. Letterlijk staat er: ‘De gemeenschapsdienst moet worden ingepast in een traject naar werk.’ De andere maatregelen in verband met werk en loopbaanontwikkeling geven bovendien voorrang aan competitiviteit eerder dan het welzijn van de bredere gemeenschap. Ik denk dan onder meer aan het voornemen om het loonsysteem meer prestatiegericht te maken – aangepast aan de competenties en de productiviteit.

De grootste tegenstanders van de maatregel, de vakbonden, geven jammer genoeg eveneens blijk van een zeker onvermogen om arbeid anders te denken. Ze werpen op dat het bij gemeenschapsdiensten niet gaat om volwaardig werk en dat er geen volwaardig loon tegenover staat. Op die manier halen ook zij gemeenschapsdienst uit de sfeer van het leveren van diensten aan de bredere gemeenschap, vergelijkbaar met bijvoorbeeld vrijwilligerswerk, en contrasteren het daarentegen met een ‘passend werkaanbod’ en volwaardig werk voor iedereen. Werkgevers en vakbonden beperken arbeid daarmee allebei tot het kader van de reguliere arbeid – hetzij op een (gecorrigeerde) vrije markt, hetzij in dienst van de overheid of door de overheid gefinancierde of gereguleerde instellingen.

Behalve voor ondernemers is arbeid per definitie loonarbeid geworden. En werkloosheid is daar het spiegelbeeld van, zoals een aantal Franse economen en sociologen in hun boek L’invention du chômage hebben benadrukt. ‘Werkloos’ is het negatief van de categorie werk zoals die in het onderhandelingsproces tussen werkgevers en werknemers is tot stand gekomen vanaf de laatste decennia van de negentiende eeuw. De oplossing van de negentiende-eeuwse ‘sociale kwestie’ bestond in een akkoord waarin werkgevers zouden zorgen voor volwaardig werk en volwaardig loon en de overheid – via sociale bijdragen – voor een opvangnet in tijden van de uitzonderingssituatie, namelijk niet-werken – hoe zinvol iemands activiteiten voor de rest verder ook zijn. Dit proces kende een versnelling vanaf de jaren dertig, toen het Keynesiaanse ideaal van volledige tewerkstelling vorm kreeg. Door de toetreding tot de arbeidsmarkt van vrouwen vanaf de jaren 1960 en 1970 is het proces in het laatste kwart van de vorige eeuw nagenoeg volledig voltooid. Vandaag is niet werken zo goed als synoniem van ‘beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt’.

In heel dit proces is werken steeds verder afgedreven van een bezigheid gericht op een gemeenschap of een activiteit met het oog op een breder nut. Wie vraagt zich nog af wat er intussen eigenlijk geproduceerd wordt en wat daarvan de sociale meerwaarde is? Mocht dat het doel van de geplande maatregel zijn, zou er in de kiem werkelijk verandering op til kunnen zijn. Maar daar ziet het dus niet naar uit. Het probleem is echter niet zozeer het idee van de gemeenschapsdienst voor langdurig werklozen op zich, maar wel het uitblijven van een maatschappelijk appel aan ondernemingen, die in tegenstelling tot de langdurig werklozen niet aangesproken worden op wat hun activiteiten precies voor de gemeenschap opleveren. Althans, de vraag wordt wel gesteld maar ondernemers komen er vanaf met vrijblijvende verwijzingen naar – ironisch genoeg – ‘het creëren van werk’.

In de praktijk wordt die belofte steeds minder waargemaakt. Ondernemers slagen er niet in om een voldoende groot en gevarieerd aanbod aan zinvolle arbeid te creëren. En zelfs wie aan de bak komt, heeft het steeds moeilijker. Elke ouder met schoolgaande kinderen weet hoe groot de druk op kinderen al van in het lager onderwijs is, om enkel maar toe te nemen naarmate ze opgroeien. In het licht daarvan is het inderdaad tijd om niet alleen werkzoekenden maar ook werkgevers te wijzen op hun verantwoordelijkheid voor de bredere gemeenschap, om te beginnen voor het lot van laaggeschoolden, ouderen, andersvaliden of mensen die om wat voor reden dan ook niet aan de bak komen.

We moeten echter verder durven gaan. In mijn ogen is het tijd om op een veel fundamenteler niveau na te denken over de relatie tussen ondernemen, arbeid en gemeenschap. We slagen er enkel nog in arbeid te zien als iets waar een betaling tegenover staat en wat materiële rijkdom en consumptieartikelen oplevert. In die zin is het op zich misschien niet verkeerd om na te denken over werk ten dienste van de gemeenschap, maar het smalle en eenzijdige kader van waaruit het nu gebeurt werpt enkel maar wat licht op de tunnel waarin we zitten.

 

Kunnen consumenten de wereld redden? Van Augustinus en Adam Smith tot Poetinperen

“Verander de wereld, begin met jezelf” klonk de oerspreuk van de Bond Zonder Naam, maar welk geloof hechten we daar vandaag nog aan? Kunnen we met ons allen, door bijvoorbeeld anders te consumeren, een ethischer wereld tot stand brengen? Enerzijds lijkt het geloof daarin terug van weg geweest. Begin augustus stelde minister van economie Johan Vande Lanotte bijvoorbeeld voor om een speciaal label in te voeren voor goederen afkomstig uit de door Israël bezette gebieden. Dergelijke – vrijwillige – labels bestaan reeds langer in Denemarken en het Verenigd Koninkrijk, en hebben de bedoeling om de consument ‘te informeren.’ De kans te geven om bewust te consumeren dus. Prompt maakte Colruyt bekend reeds meer dan een jaar geen voedingsproducten uit de bezette gebieden te verkopen.

Een al even frappant voorbeeld van consumptie met een expliciet politiek doel volgde nauwelijks een week later, toen Vladimir Poetin besliste om de import van enkele landbouwproducten uit de VS en de Europese Unie in Rusland te verbieden. Daarmee reageerde hij op eerdere Westerse sancties die voornamelijk de energie- en financiële sector van Rusland viseerden. Het resultaat van de Russische boycot zorgde meteen voor een ware peren-hype in België, uit steun voor de getroffen sector. Deze aandacht miste bovendien haar doel niet, vermits ze zowaar tot een verdubbeling van de perenverkoop in ons land leidde. Een goede gelegenheid, vond de partij Groen!, om consumenten eraan te herinneren dat het niet alleen nu, maar “steeds een goed idee is om boeren uit je regio te steunen.”

Lees verder Kunnen consumenten de wereld redden? Van Augustinus en Adam Smith tot Poetinperen

Geen LEF in het Vlaamse Regeerakkoord 2014

Bij het lezen van het regeerakkoord moeten we niet alleen lezen wat er staat, het is ook interessant na te gaan wat er niet (meer) in staat. Waar men zich in 2009 nog engageerde om een gezamenlijk aanbod levensbeschouwing in het onderwijs in de steigers te zetten, wordt daar in de tekst van 2014 met geen woord meer over gerept. Dit in tegenstelling tot Franstalig België waar men zich wel politiek engageert om de uren levensbeschouwelijke vakken te halveren en de vrijgekomen tijd te gebruiken om les te geven over burgerschap en samenleven in diversiteit.

In het Vlaamse akkoord van 2009 beroerde volgende zin al snel de levensbeschouwelijke gemoederen: “Met het oog op de realisatie van een gezamenlijk aanbod ‘levensbeschouwing’, naast de huidige keuzemogelijkheden binnen het officieel onderwijs, maken we de samenwerking mogelijk tussen de aanbieders van de verschillende levensbeschouwelijke vakken.”

Lees verder Geen LEF in het Vlaamse Regeerakkoord 2014

De geschiedenis herhaalt zich niet

We leven in vreemde tijden. Enerzijds worden we om de oren geslagen met herdenkingen van WOI, met daarin meestal een sterke boodschap van ‘nooit meer oorlog’. Anderzijds is het een en al oorlog en oorlogsretoriek wat de klok slaat. Veel van die oorlogen zijn gedeeltelijk bovendien het rechtstreeks gevolg van wat er zich in en rond WOI afspeelde, of zijn er alleszins sterk door getekend. Dat geldt voor zowat alle conflicten in het Midden Oosten, het conflict in Palestina niet uitgezonderd.

Herdenken om niet te herhalen?

Wat voor zin hebben herdenkingen en een historische blik wanneer we ze in die hedendaagse context plaatsen? In gelegenheidsspeeches van de betrokken hoogwaardigheidsbekleders heet het meestal dat we moeten ‘leren uit de fouten van het verleden’ en dat we er moeten voor zorgen dat ‘de geschiedenis zich niet herhaalt’. Maar welke boodschap geef je daarmee? Over welke – en wiens – fouten hebben we het dan precies? En welk specifiek mechanisme mag zich niet herhalen? De usual suspects hier zijn uiteraard het nationalisme, de bewapeningswedloop en de moordende economische competitie tussen Europese natiestaten, zowel binnen als buiten Europa. Door dit echter te reduceren tot ‘herhaalbare fouten’ wordt de complexiteit van dat historische tijdsgewricht fundamenteel onderschat. De schijn wordt gewekt dat de oorzaken kunnen worden toegeschreven aan de keuzes van de elites van toen, die miljoenen soldaten ‘de dood injoegen’.

Ver van mij om die keuzes te vergoelijken uiteraard, maar is de impliciete boodschap van de politieke verantwoordelijken achter de herdenkingen niet dat zij die fouten vandaag niet aan het maken zijn? Wordt niet gesuggereerd dat het nu anders is, dank zij de VN, de EU en het bestaan van allerlei twintigste-eeuwse internationale verdragen en handvesten? Het zou wel eens kunnen dat de herdenkingen in realiteit meer bijdragen aan het moreel prestige van Westerse elites dan aan wereldvrede in de nabije toekomst.
Lees verder De geschiedenis herhaalt zich niet

Hoe ongelijkheid kan ontstaan: het Mattheuseffect van sport tot kinderopvang

Recent mocht ik de loterij van mijn geboorte weer eens vieren en dat deed mij er aan denken dat niet alleen de plaats waar je wordt geboren een impact heeft op je latere levenskansen, maar ook je geboortedatum zelf. In veel competitiesporten heeft de maand waarin je wordt geboren een impact op je kansen om de top te bereiken, ongeacht je talent of je inspanning. Dat heet het relatieve leeftijdseffect; niet louter een aardig wist-je-datje maar vooral een illustratie dat sport helemaal niet zo’n meritocratisch karakter heeft als vaak wordt aangenomen. Daaruit vallen niet alleen lessen te trekken voor de organisatie van heel wat competitiesporten, maar ook voor de organisatie van de samenleving in het algemeen.

IJshockey

Laat ons het voorbeeld van ijshockey van naderbij bekijken. Geboren worden met het talent voor deze sport is een kwestie van geluk (als men een ijshockeyspeler wil worden, uiteraard). Maar er is meer aan de hand. In de jaren 1980 deed de Canadese psycholoog Roger Barnsley een verrassende ontdekking: een overgrote meerderheid van de professionele hockeyspelers bleek geboren te zijn in de eerste maanden van het jaar. Figuur 1 toont hoe spelers die geboren werden in de eerste drie maanden van het jaar oververtegenwoordigd waren in de topteams van elke competitie die in de analyse was opgenomen (de blauwe balkjes), een oververtegenwoordiging die niet verwacht kon worden op basis van de verdeling van de geboortemaanden van de jongeren die instroomden in deze sport.

Bron: Barnsley RH, Thompson AH (1988). Birthdate and success in minor hockey: The key to the N.H.L. Canadian Journal of Behavioral Science 20, 167-176

Lees verder Hoe ongelijkheid kan ontstaan: het Mattheuseffect van sport tot kinderopvang

Waarom het goed is dat Piketty tegenwind krijgt

Tijdens de afgelopen maanden viel er nauwelijks naast te kijken: de Franse econoom Thomas Piketty werd na het verschijnen van zijn ‘Le Capital au XXIe siècle’ gebombardeerd tot de nieuwe posterboy van de economie. Een jaar geleden verschenen in het Frans, in het Engels vertaald afgelopen winter, en bijna (tegen eind oktober) vertaald in het Nederlands, klom hij in tussentijd van volslagen onbekend bij niet-specialisten tot huishoudnaam, en heiland van de linkerzijde. Het boek in kwestie was nochtans een onwaarschijnlijke kandidaat als bestseller, met om en bij de 700 pagina’s waarin de evolutie van economische ongelijkheid in Westerse landen tijdens de laatste jaren uit de doeken gedaan werd.

Een lege hype?

Aanvankelijk was de impact groot: van de Wereldbank over het IMF, en het World Economics Forum in Davos; van Branko Milanovic, over Yves Leterme en Paul De Grauwe: plots bleek de waardering voor Piketty’s werk, en de aandacht voor ongelijkheid als één van de belangrijkste politieke uitdagingen van het moment door quasi iedereen aanvaard. Dat de eigenlijke verklaringen en beleidsmaatregelen die Piketty zelf naar voor schoof daarbij vaak genegeerd werden, was een prijs die velen daar graag voor wilden betalen.

Nu de eerste hype grotendeels uitgeraasd is, komt echter uit verschillende hoeken de kritiek aanwaaien. Zo was er het nieuwtje dat het boek waarschijnlijk de twijfelachtige eer toekomt de ‘meest ongelezen’ bestseller van de laatste jaren te zijn. Ook wordt steeds vaker ingezoomd op de wat lauwere ontvangst die het boek oorspronkelijk in thuisland Frankrijk te beurt gevallen was. In vergelijking daarmee leek de internationale hype toch wat buiten proportie. Belangrijker is wellicht dat hoewel Piketty aanvankelijk quasi unaniem geprezen werd, hij ondertussen steeds vaker neergezet wordt als in de eerste plaats een ‘darling of the left.’ Dat zet de deur open voor economen uit andere kanten van het ideologische spectrum om Piketty het vuur aan de schenen te leggen.

Zo dreigt de Piketty-hype een Piketty-debat te worden, en daar kan iedereen alleen maar beter van worden. Meer nog: de op de achtergrond smeulende onenigheid lijkt interessanter te gaan worden dan de aanvankelijke hetze zelf.

Lees verder Waarom het goed is dat Piketty tegenwind krijgt

Een eerste blik op het nieuwe Vlaamse armoedebeleid

In haar eerste interview als Vlaams minister van armoedebestrijding laat Liesbeth Homans optekenen dat het armoedebeleid in het verleden fout werd aangepakt.

“Zijn we gebaat met jaarlijks vijf handboeken met de analyse hoe erg het gesteld is met de armoede in Vlaanderen? Ik denk het niet. We weten het intussen hoor. Hoewel ik het belang van wetenschappelijke studies uiteraard niet minimaliseer. Ik hoef geen jaarlijkse doorlichting meer van het fenomeen dat kinderen zonder boterhammen naar school moeten. Ik wil dat elk kind met een volle boterhammendoos naar school kan. Dat is een andere houding.”

In het verleden heb ik wel vaker de bedenking gemaakt dat armoedebestrijding in België en Vlaanderen fout werd aangepakt. Een andere houding lijkt dus welkom. Homans’ “We weten het intussen hoor” suggereert echter dat de wetenschappelijke inzichten met betrekking tot armoedebestrijding nu wel zijn doorgesijpeld naar het beleid. Welaan dan, laat ons even de proef op de som nemen: in hoeverre zijn de maatregelen waarvan uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat ze effectief zijn in het bestrijden van armoede opgenomen in het Vlaamse regeerakkoord?

Wat leert het wetenschappelijk onderzoek?

Armoede is in essentie een probleem van te weinig middelen op het niveau van het gezin. Concreet worden mensen als arm (of beter: levend met een risico op armoede) beschouwd wanneer hun netto besteedbaar gezinsinkomen lager is dan de armoedegrens. Die armoedegrens is relatief en hangt bijgevolg af van het algemeen welvaartsniveau van een land (de grens ligt dus bijvoorbeeld een pak hoger in Luxemburg dan in Roemenië), en weerspiegelt het minimum minimorum. 1 Belangrijk hierbij is de gezinsdimensie: armoede is geen kwestie van weinig verdienen als individu, het is een kwestie van leven in een gezin waar alle inkomens samen (kinderbijslagen, arbeidsinkomens en uitkeringen) niet toereikend zijn en minder zijn dan het bedrag dat de armoedegrens markeert. Kort samengevat: armoede is het uitgesloten zijn van een menswaardig leven door een gebrek aan middelen. Als dergelijke situatie te lang aanhoudt, raak je als vanzelf verstrikt in een web van problemen en uitsluiting waar je zelf niet meer uit kunt klauteren.

Lees verder Een eerste blik op het nieuwe Vlaamse armoedebeleid

Notes:

  1. Deze inkomensgrens correspondeert voor ons land goed met de referentiebudgetten, budgetnormen die gebaseerd zijn op reële korven van goederen en diensten die noodzakelijk worden geacht om menswaardig te leven. Voor België geeft de relatieve ‘armoederisiconorm’ dus een accuraat beeld van welke middelen men nodig heeft om op een menswaardige manier te kunnen deelnemen aan de samenleving.

Waar eindigt natuur en begint cultuur?

Iedereen kent ze wel, het soort hippe termen dat het goed doet in academische middens. Meestal maken ze een steile op- en neergang door, maar sommige blijven decennia hangen. ‘Interdisciplinariteit’ en ‘kruisbestuiving’ bijvoorbeeld. Het overschrijden van de kunstmatige grenzen tussen vakgebieden, het met elkaar confronteren van specialismen uit verschillende velden: wie kan daar tenslotte tegen zijn?

Cultuur als biologische strategie

Toch gaat er zo nu en dan achter het gepronk met intellectuele kruisbestuiving een agenda schuil die lang niet zo vanzelfsprekend is. In De Standaard van afgelopen weekend (26-27 juli) zong gedragsecoloog Hans Van Dyck, in het kader van een zomerreeks over ‘favoriete boeken’, twee pagina’s lang de lof van Mark Pagels ”Wired for Culture”. Centraal in Van Dycks lofrede staat de interdisciplinaire ambitie van Pagel en diens medestanders – zoals Daniel Dennett of E.O. Wilson – meer bepaald hun wens om de scheiding tussen de studie van de natuur (de ‘harde’ wetenschappen) en die van de cultuur (de ‘zachte’) te doorbreken. Pagel, een Brits evolutionair bioloog, verschaft in zijn boek inzicht:

“…vanuit de biologie over wat traditioneel tot het territorium van de menswetenschappen behoorde. Zo passeren sociaal leren, taal, oorlog, zelfdoding, religie, moraliteit en samenwerking alle de revue.”

Het centrale argument van Pagel en Van Dyck komt er vooral op neer dat cultuur ”een biologische strategie” is, en dat de verschijningsvormen ervan dan ook grotendeels biologisch en evolutionair verklaard kunnen worden. Alleen blijven cultuurwetenschappers volgens hen te veel van dat inzicht ontstoken, door te weinig over de grenzen van hun discipline heen te willen kijken. Van Dyck:

“Neem geschiedenis. Hoeveel inzichtelijker zou deze studie kunnen zijn, mochten we ook biologische concepten toelaten om de opgang en ondergang van culturen te begrijpen.”

Meer zelfs, evolutiebiologie en het ‘leren evolutionair denken’ zouden volgens Van Dyck een onderdeel moeten worden van “om het even welke opleiding aan de universiteit of hogeschool.”

Lees verder Waar eindigt natuur en begint cultuur?

Het Gentse parkeerplan maakt tenminste duidelijke keuzes

Dit weekend werd het voorstel voor het Parkeerplan Gent 2020 bekend gemaakt. Maandagavond lag het plan ter discussie op de bevoegde gemeenteraadscommissie. Sindsdien regent het reacties, onder meer van VOKA en het Gentse Milieufront. Tony Verhelle, de hoofdredacteur van Autogids,  schreef gisteren op deze pagina’s dat het Gentse bestuur geen oplossing biedt voor het verkeersprobleem. Waarop hij zich baseert is onduidelijk. Hij rept in zijn stuk immers met geen woord over het nieuwe parkeerplan.

Het is duidelijk dat het Gentse stadsbestuur met dit parkeerplan op een cruciaal moment in de legislatuur terecht gekomen is. Bij haar aantreden beloofde de paarsgroene bestuurscoalitie de Gentse burgers een vernieuwend project voor een sociale en ecologische stad. Mobiliteit en de plaats van de auto in de stad is daarbij een heikel punt. Er kan geen bewonersvergadering plaatsvinden of er wordt verwoed gediscuteerd over het gebrek aan parkeerplaatsen en files, over verkeersonveiligheid en vervuiling en over de kolonisatie van de publieke ruimte door de auto.

Het nieuw Gentse parkeerplan gaat over de plaats van de auto in de stad en over de verhouding tussen bewoners en bezoekers. Het voorgestelde parkeerplan heeft de verdienste om duidelijke keuzes te maken. Het plan geeft resoluut voorrang aan de parkeernoden van bewoners over die van bezoekers, werknemers en studenten. Die laatste worden met hogere parkeertarieven en kortere toegelaten parkeertijden ontmoedigt om met de auto tot in het stadscentrum te rijden. De prijzen voor openbaar parkeren nemen af naarmate men verder van het stadscentrum verwijderd is.

Maar ook bewoners zelf worden aangespoord na te denken over hun autogebruik. De eerste bewonerskaart blijft gratis, maar de prijs van de tweede kaart zal in de toekomst 250 in plaats van 100 Euro bedragen. Vandaag zijn van de 29.100 bewonerskaarten in omloop ongeveer 11% tweede bewonerskaarten. De stad belooft wel via buurtparkings te zorgen voor voldoende parkeerplaatsen voor bewoners. Private parkings blijven wel grotendeels uit het vizier in dit plan. Uit een enquête uit 2006 blijkt bovendien dat 71% van de werknemers gratis parkeert. Het gebrek aan greep hierop verzwakt de effectiviteit van het parkeerplan.

De keuzes in het parkeerplan dringen zich op. België is volgens de INRIX index met ruime voorsprong het meest filegevoelige land ter wereld. Het kleine Gent staat op de 13de plaats van de meest filegevoelige steden ter wereld. Tussen 2001 en 2011 kwamen er in het Gentse 15% nieuwe bewoners bij, zonder dat het persoonlijk autobezit daalde. Een bewonerskaart garandeert steeds minder een parkeerplaats op straat. Bovendien weegt het autogebruik op de stedelijke woonomgeving. Het creëert gevoelens van onveiligheid en vervuiling en ontmoedigt sociaal contact op straat. Het terugdringen van de auto is de succesformule voor de heropleving van verloederde steden.

Deze maatregel zal op verzet stuiten. De auto is het symbool van de naoorlogse welvaart van grote delen van de bevolking. In ruil daarvoor kregen werkgevers een hogere productiviteit en sociale vrede. Dit sociale model hield echter geen rekening met de impact van de auto op het milieu en onze leefomgeving. De inzet van het parkeerplan reikt dus veel verder dan Gent. Het gaat om de ambitie om het sociale model aan te passen aan ecologische grenzen en leefbaarheid door de welvaart van de bevolking te koppelen aan meer duurzame manieren om ons te verplaatsen.

Gent geeft een stevige voorzet, maar ook hogere overheden moeten maatregelen nemen om ons sociaal model duurzaam te maken en aan te passen aan de hedendaagse leefbaarheidseisen. Zo moet de federale overheid de fiscale ondersteuning van bedrijfswagens afbouwen. Bedrijfswagens maken 55% uit van de nieuw aangekochte wagens. Geen enkel lokaal parkeer- en mobiliteitsplan kan hiertegen op. De Vlaamse overheid moet dan weer veel meer investeren in het openbaar vervoer. De totale overheidssteun aan alle openbare vervoersmaatschappijen samen bedraagt 2,4 miljard Euro, tegenover 4,1 miljard Euro voor bedrijfswagens.

Ons sociale model herijken is ieders verantwoordelijkheid, ook die van de ondernemerswereld. VOKA reageerde al negatief op het Gentse parkeerplan. Ze voorspelt dat ondernemers zullen wegtrekken uit Gent. De vraag is waar naartoe? Verkeersdrukte en congestie zijn al lang geen exclusief grootstedelijke problemen meer. Het is niet alleen aan de overheid om dit op te lossen. Ondernemingen creëren mee verkeersdrukte en congestie en moeten dus ook een rol spelen in het oplossen ervan. Ondernemers laten zich graag voorstaan op hun innovatie en creativiteit. Welaan dan, in de mobiliteitsproblematiek liggen de uitdagingen voor het rapen. Economische spelers zoals stadsdistributeurs, fietskoeriers en bouwbedrijven die materiaal via het water aan- en afvoeren doen het al voor.

Verschenen in De Morgen van 3 juli 2014