Hoe ongelijkheid kan ontstaan: het Mattheuseffect van sport tot kinderopvang

Recent mocht ik de loterij van mijn geboorte weer eens vieren en dat deed mij er aan denken dat niet alleen de plaats waar je wordt geboren een impact heeft op je latere levenskansen, maar ook je geboortedatum zelf. In veel competitiesporten heeft de maand waarin je wordt geboren een impact op je kansen om de top te bereiken, ongeacht je talent of je inspanning. Dat heet het relatieve leeftijdseffect; niet louter een aardig wist-je-datje maar vooral een illustratie dat sport helemaal niet zo’n meritocratisch karakter heeft als vaak wordt aangenomen. Daaruit vallen niet alleen lessen te trekken voor de organisatie van heel wat competitiesporten, maar ook voor de organisatie van de samenleving in het algemeen.

IJshockey

Laat ons het voorbeeld van ijshockey van naderbij bekijken. Geboren worden met het talent voor deze sport is een kwestie van geluk (als men een ijshockeyspeler wil worden, uiteraard). Maar er is meer aan de hand. In de jaren 1980 deed de Canadese psycholoog Roger Barnsley een verrassende ontdekking: een overgrote meerderheid van de professionele hockeyspelers bleek geboren te zijn in de eerste maanden van het jaar. Figuur 1 toont hoe spelers die geboren werden in de eerste drie maanden van het jaar oververtegenwoordigd waren in de topteams van elke competitie die in de analyse was opgenomen (de blauwe balkjes), een oververtegenwoordiging die niet verwacht kon worden op basis van de verdeling van de geboortemaanden van de jongeren die instroomden in deze sport.

Bron: Barnsley RH, Thompson AH (1988). Birthdate and success in minor hockey: The key to the N.H.L. Canadian Journal of Behavioral Science 20, 167-176

Lees verder Hoe ongelijkheid kan ontstaan: het Mattheuseffect van sport tot kinderopvang

Waarom het goed is dat Piketty tegenwind krijgt

Tijdens de afgelopen maanden viel er nauwelijks naast te kijken: de Franse econoom Thomas Piketty werd na het verschijnen van zijn ‘Le Capital au XXIe siècle’ gebombardeerd tot de nieuwe posterboy van de economie. Een jaar geleden verschenen in het Frans, in het Engels vertaald afgelopen winter, en bijna (tegen eind oktober) vertaald in het Nederlands, klom hij in tussentijd van volslagen onbekend bij niet-specialisten tot huishoudnaam, en heiland van de linkerzijde. Het boek in kwestie was nochtans een onwaarschijnlijke kandidaat als bestseller, met om en bij de 700 pagina’s waarin de evolutie van economische ongelijkheid in Westerse landen tijdens de laatste jaren uit de doeken gedaan werd.

Een lege hype?

Aanvankelijk was de impact groot: van de Wereldbank over het IMF, en het World Economics Forum in Davos; van Branko Milanovic, over Yves Leterme en Paul De Grauwe: plots bleek de waardering voor Piketty’s werk, en de aandacht voor ongelijkheid als één van de belangrijkste politieke uitdagingen van het moment door quasi iedereen aanvaard. Dat de eigenlijke verklaringen en beleidsmaatregelen die Piketty zelf naar voor schoof daarbij vaak genegeerd werden, was een prijs die velen daar graag voor wilden betalen.

Nu de eerste hype grotendeels uitgeraasd is, komt echter uit verschillende hoeken de kritiek aanwaaien. Zo was er het nieuwtje dat het boek waarschijnlijk de twijfelachtige eer toekomt de ‘meest ongelezen’ bestseller van de laatste jaren te zijn. Ook wordt steeds vaker ingezoomd op de wat lauwere ontvangst die het boek oorspronkelijk in thuisland Frankrijk te beurt gevallen was. In vergelijking daarmee leek de internationale hype toch wat buiten proportie. Belangrijker is wellicht dat hoewel Piketty aanvankelijk quasi unaniem geprezen werd, hij ondertussen steeds vaker neergezet wordt als in de eerste plaats een ‘darling of the left.’ Dat zet de deur open voor economen uit andere kanten van het ideologische spectrum om Piketty het vuur aan de schenen te leggen.

Zo dreigt de Piketty-hype een Piketty-debat te worden, en daar kan iedereen alleen maar beter van worden. Meer nog: de op de achtergrond smeulende onenigheid lijkt interessanter te gaan worden dan de aanvankelijke hetze zelf.

Lees verder Waarom het goed is dat Piketty tegenwind krijgt

Een eerste blik op het nieuwe Vlaamse armoedebeleid

In haar eerste interview als Vlaams minister van armoedebestrijding laat Liesbeth Homans optekenen dat het armoedebeleid in het verleden fout werd aangepakt.

“Zijn we gebaat met jaarlijks vijf handboeken met de analyse hoe erg het gesteld is met de armoede in Vlaanderen? Ik denk het niet. We weten het intussen hoor. Hoewel ik het belang van wetenschappelijke studies uiteraard niet minimaliseer. Ik hoef geen jaarlijkse doorlichting meer van het fenomeen dat kinderen zonder boterhammen naar school moeten. Ik wil dat elk kind met een volle boterhammendoos naar school kan. Dat is een andere houding.”

In het verleden heb ik wel vaker de bedenking gemaakt dat armoedebestrijding in België en Vlaanderen fout werd aangepakt. Een andere houding lijkt dus welkom. Homans’ “We weten het intussen hoor” suggereert echter dat de wetenschappelijke inzichten met betrekking tot armoedebestrijding nu wel zijn doorgesijpeld naar het beleid. Welaan dan, laat ons even de proef op de som nemen: in hoeverre zijn de maatregelen waarvan uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat ze effectief zijn in het bestrijden van armoede opgenomen in het Vlaamse regeerakkoord?

Wat leert het wetenschappelijk onderzoek?

Armoede is in essentie een probleem van te weinig middelen op het niveau van het gezin. Concreet worden mensen als arm (of beter: levend met een risico op armoede) beschouwd wanneer hun netto besteedbaar gezinsinkomen lager is dan de armoedegrens. Die armoedegrens is relatief en hangt bijgevolg af van het algemeen welvaartsniveau van een land (de grens ligt dus bijvoorbeeld een pak hoger in Luxemburg dan in Roemenië), en weerspiegelt het minimum minimorum. 1 Belangrijk hierbij is de gezinsdimensie: armoede is geen kwestie van weinig verdienen als individu, het is een kwestie van leven in een gezin waar alle inkomens samen (kinderbijslagen, arbeidsinkomens en uitkeringen) niet toereikend zijn en minder zijn dan het bedrag dat de armoedegrens markeert. Kort samengevat: armoede is het uitgesloten zijn van een menswaardig leven door een gebrek aan middelen. Als dergelijke situatie te lang aanhoudt, raak je als vanzelf verstrikt in een web van problemen en uitsluiting waar je zelf niet meer uit kunt klauteren.

Lees verder Een eerste blik op het nieuwe Vlaamse armoedebeleid

Notes:

  1. Deze inkomensgrens correspondeert voor ons land goed met de referentiebudgetten, budgetnormen die gebaseerd zijn op reële korven van goederen en diensten die noodzakelijk worden geacht om menswaardig te leven. Voor België geeft de relatieve ‘armoederisiconorm’ dus een accuraat beeld van welke middelen men nodig heeft om op een menswaardige manier te kunnen deelnemen aan de samenleving.

Waar eindigt natuur en begint cultuur?

Iedereen kent ze wel, het soort hippe termen dat het goed doet in academische middens. Meestal maken ze een steile op- en neergang door, maar sommige blijven decennia hangen. ‘Interdisciplinariteit’ en ‘kruisbestuiving’ bijvoorbeeld. Het overschrijden van de kunstmatige grenzen tussen vakgebieden, het met elkaar confronteren van specialismen uit verschillende velden: wie kan daar tenslotte tegen zijn?

Cultuur als biologische strategie

Toch gaat er zo nu en dan achter het gepronk met intellectuele kruisbestuiving een agenda schuil die lang niet zo vanzelfsprekend is. In De Standaard van afgelopen weekend (26-27 juli) zong gedragsecoloog Hans Van Dyck, in het kader van een zomerreeks over ‘favoriete boeken’, twee pagina’s lang de lof van Mark Pagels ”Wired for Culture”. Centraal in Van Dycks lofrede staat de interdisciplinaire ambitie van Pagel en diens medestanders – zoals Daniel Dennett of E.O. Wilson – meer bepaald hun wens om de scheiding tussen de studie van de natuur (de ‘harde’ wetenschappen) en die van de cultuur (de ‘zachte’) te doorbreken. Pagel, een Brits evolutionair bioloog, verschaft in zijn boek inzicht:

“…vanuit de biologie over wat traditioneel tot het territorium van de menswetenschappen behoorde. Zo passeren sociaal leren, taal, oorlog, zelfdoding, religie, moraliteit en samenwerking alle de revue.”

Het centrale argument van Pagel en Van Dyck komt er vooral op neer dat cultuur ”een biologische strategie” is, en dat de verschijningsvormen ervan dan ook grotendeels biologisch en evolutionair verklaard kunnen worden. Alleen blijven cultuurwetenschappers volgens hen te veel van dat inzicht ontstoken, door te weinig over de grenzen van hun discipline heen te willen kijken. Van Dyck:

“Neem geschiedenis. Hoeveel inzichtelijker zou deze studie kunnen zijn, mochten we ook biologische concepten toelaten om de opgang en ondergang van culturen te begrijpen.”

Meer zelfs, evolutiebiologie en het ‘leren evolutionair denken’ zouden volgens Van Dyck een onderdeel moeten worden van “om het even welke opleiding aan de universiteit of hogeschool.”

Lees verder Waar eindigt natuur en begint cultuur?

Het Gentse parkeerplan maakt tenminste duidelijke keuzes

Dit weekend werd het voorstel voor het Parkeerplan Gent 2020 bekend gemaakt. Maandagavond lag het plan ter discussie op de bevoegde gemeenteraadscommissie. Sindsdien regent het reacties, onder meer van VOKA en het Gentse Milieufront. Tony Verhelle, de hoofdredacteur van Autogids,  schreef gisteren op deze pagina’s dat het Gentse bestuur geen oplossing biedt voor het verkeersprobleem. Waarop hij zich baseert is onduidelijk. Hij rept in zijn stuk immers met geen woord over het nieuwe parkeerplan.

Het is duidelijk dat het Gentse stadsbestuur met dit parkeerplan op een cruciaal moment in de legislatuur terecht gekomen is. Bij haar aantreden beloofde de paarsgroene bestuurscoalitie de Gentse burgers een vernieuwend project voor een sociale en ecologische stad. Mobiliteit en de plaats van de auto in de stad is daarbij een heikel punt. Er kan geen bewonersvergadering plaatsvinden of er wordt verwoed gediscuteerd over het gebrek aan parkeerplaatsen en files, over verkeersonveiligheid en vervuiling en over de kolonisatie van de publieke ruimte door de auto.

Het nieuw Gentse parkeerplan gaat over de plaats van de auto in de stad en over de verhouding tussen bewoners en bezoekers. Het voorgestelde parkeerplan heeft de verdienste om duidelijke keuzes te maken. Het plan geeft resoluut voorrang aan de parkeernoden van bewoners over die van bezoekers, werknemers en studenten. Die laatste worden met hogere parkeertarieven en kortere toegelaten parkeertijden ontmoedigt om met de auto tot in het stadscentrum te rijden. De prijzen voor openbaar parkeren nemen af naarmate men verder van het stadscentrum verwijderd is.

Maar ook bewoners zelf worden aangespoord na te denken over hun autogebruik. De eerste bewonerskaart blijft gratis, maar de prijs van de tweede kaart zal in de toekomst 250 in plaats van 100 Euro bedragen. Vandaag zijn van de 29.100 bewonerskaarten in omloop ongeveer 11% tweede bewonerskaarten. De stad belooft wel via buurtparkings te zorgen voor voldoende parkeerplaatsen voor bewoners. Private parkings blijven wel grotendeels uit het vizier in dit plan. Uit een enquête uit 2006 blijkt bovendien dat 71% van de werknemers gratis parkeert. Het gebrek aan greep hierop verzwakt de effectiviteit van het parkeerplan.

De keuzes in het parkeerplan dringen zich op. België is volgens de INRIX index met ruime voorsprong het meest filegevoelige land ter wereld. Het kleine Gent staat op de 13de plaats van de meest filegevoelige steden ter wereld. Tussen 2001 en 2011 kwamen er in het Gentse 15% nieuwe bewoners bij, zonder dat het persoonlijk autobezit daalde. Een bewonerskaart garandeert steeds minder een parkeerplaats op straat. Bovendien weegt het autogebruik op de stedelijke woonomgeving. Het creëert gevoelens van onveiligheid en vervuiling en ontmoedigt sociaal contact op straat. Het terugdringen van de auto is de succesformule voor de heropleving van verloederde steden.

Deze maatregel zal op verzet stuiten. De auto is het symbool van de naoorlogse welvaart van grote delen van de bevolking. In ruil daarvoor kregen werkgevers een hogere productiviteit en sociale vrede. Dit sociale model hield echter geen rekening met de impact van de auto op het milieu en onze leefomgeving. De inzet van het parkeerplan reikt dus veel verder dan Gent. Het gaat om de ambitie om het sociale model aan te passen aan ecologische grenzen en leefbaarheid door de welvaart van de bevolking te koppelen aan meer duurzame manieren om ons te verplaatsen.

Gent geeft een stevige voorzet, maar ook hogere overheden moeten maatregelen nemen om ons sociaal model duurzaam te maken en aan te passen aan de hedendaagse leefbaarheidseisen. Zo moet de federale overheid de fiscale ondersteuning van bedrijfswagens afbouwen. Bedrijfswagens maken 55% uit van de nieuw aangekochte wagens. Geen enkel lokaal parkeer- en mobiliteitsplan kan hiertegen op. De Vlaamse overheid moet dan weer veel meer investeren in het openbaar vervoer. De totale overheidssteun aan alle openbare vervoersmaatschappijen samen bedraagt 2,4 miljard Euro, tegenover 4,1 miljard Euro voor bedrijfswagens.

Ons sociale model herijken is ieders verantwoordelijkheid, ook die van de ondernemerswereld. VOKA reageerde al negatief op het Gentse parkeerplan. Ze voorspelt dat ondernemers zullen wegtrekken uit Gent. De vraag is waar naartoe? Verkeersdrukte en congestie zijn al lang geen exclusief grootstedelijke problemen meer. Het is niet alleen aan de overheid om dit op te lossen. Ondernemingen creëren mee verkeersdrukte en congestie en moeten dus ook een rol spelen in het oplossen ervan. Ondernemers laten zich graag voorstaan op hun innovatie en creativiteit. Welaan dan, in de mobiliteitsproblematiek liggen de uitdagingen voor het rapen. Economische spelers zoals stadsdistributeurs, fietskoeriers en bouwbedrijven die materiaal via het water aan- en afvoeren doen het al voor.

Verschenen in De Morgen van 3 juli 2014

De Ivoren Toren – een introductie

Wie over de samenleving wil nadenken, kan er niet buiten blijven staan. Nochtans was de afzondering van de wereld gedurende grote delen van de Westerse geschiedenis een deugd veeleer dan een zonde. De kunstgeschiedenis bulkt van de symbolen die de afzondering van de wereld verheerlijken. Zo ook de ivoren toren, vaak afgebeeld als onderdeel van de Mariaverering die vanaf de late middeleeuwen aan grote populariteit won in onze gebieden.

Annunciatie met eenhoorn, c. 1500 (Nederlanden).
Annunciatie met ivoren toren, c. 1500 (Nederlanden).

De beeldspraak van de ivoren toren gaat terug op het Oudtestamentische Hooglied, waarin Salomo de hals van zijn bruid bezingt als een toren van ivoor. Geïnterpreteerd als een metafoor voor de liefde tussen de gelovige en het goddelijke, ontpopte de sensuele aanbidding uit het Hooglied zich tijdens de middeleeuwen tot een beschrijving van de maagd Maria. De ivoren toren van Salomos bruid werd zo een symbool voor de manier waarop Jezus bij haar geconcipieerd werd: edel en onaangetast; zuiver en onbevlekt.  Samen met een lange reeks andere iconografische symbolen zoals die van de besloten tuin of hortus conclusus, werd het een teken van zuiverheid en ongereptheid ten overstaan van de zondige, wereldse realiteit…

Lees verder De Ivoren Toren – een introductie