Waarom het goed is dat Piketty tegenwind krijgt

Tijdens de afgelopen maanden viel er nauwelijks naast te kijken: de Franse econoom Thomas Piketty werd na het verschijnen van zijn ‘Le Capital au XXIe siècle’ gebombardeerd tot de nieuwe posterboy van de economie. Een jaar geleden verschenen in het Frans, in het Engels vertaald afgelopen winter, en bijna (tegen eind oktober) vertaald in het Nederlands, klom hij in tussentijd van volslagen onbekend bij niet-specialisten tot huishoudnaam, en heiland van de linkerzijde. Het boek in kwestie was nochtans een onwaarschijnlijke kandidaat als bestseller, met om en bij de 700 pagina’s waarin de evolutie van economische ongelijkheid in Westerse landen tijdens de laatste jaren uit de doeken gedaan werd.

Een lege hype?

Aanvankelijk was de impact groot: van de Wereldbank over het IMF, en het World Economics Forum in Davos; van Branko Milanovic, over Yves Leterme en Paul De Grauwe: plots bleek de waardering voor Piketty’s werk, en de aandacht voor ongelijkheid als één van de belangrijkste politieke uitdagingen van het moment door quasi iedereen aanvaard. Dat de eigenlijke verklaringen en beleidsmaatregelen die Piketty zelf naar voor schoof daarbij vaak genegeerd werden, was een prijs die velen daar graag voor wilden betalen.

Nu de eerste hype grotendeels uitgeraasd is, komt echter uit verschillende hoeken de kritiek aanwaaien. Zo was er het nieuwtje dat het boek waarschijnlijk de twijfelachtige eer toekomt de ‘meest ongelezen’ bestseller van de laatste jaren te zijn. Ook wordt steeds vaker ingezoomd op de wat lauwere ontvangst die het boek oorspronkelijk in thuisland Frankrijk te beurt gevallen was. In vergelijking daarmee leek de internationale hype toch wat buiten proportie. Belangrijker is wellicht dat hoewel Piketty aanvankelijk quasi unaniem geprezen werd, hij ondertussen steeds vaker neergezet wordt als in de eerste plaats een ‘darling of the left.’ Dat zet de deur open voor economen uit andere kanten van het ideologische spectrum om Piketty het vuur aan de schenen te leggen.

Zo dreigt de Piketty-hype een Piketty-debat te worden, en daar kan iedereen alleen maar beter van worden. Meer nog: de op de achtergrond smeulende onenigheid lijkt interessanter te gaan worden dan de aanvankelijke hetze zelf.

Lees verder Waarom het goed is dat Piketty tegenwind krijgt

Een eerste blik op het nieuwe Vlaamse armoedebeleid

In haar eerste interview als Vlaams minister van armoedebestrijding laat Liesbeth Homans optekenen dat het armoedebeleid in het verleden fout werd aangepakt.

“Zijn we gebaat met jaarlijks vijf handboeken met de analyse hoe erg het gesteld is met de armoede in Vlaanderen? Ik denk het niet. We weten het intussen hoor. Hoewel ik het belang van wetenschappelijke studies uiteraard niet minimaliseer. Ik hoef geen jaarlijkse doorlichting meer van het fenomeen dat kinderen zonder boterhammen naar school moeten. Ik wil dat elk kind met een volle boterhammendoos naar school kan. Dat is een andere houding.”

In het verleden heb ik wel vaker de bedenking gemaakt dat armoedebestrijding in België en Vlaanderen fout werd aangepakt. Een andere houding lijkt dus welkom. Homans’ “We weten het intussen hoor” suggereert echter dat de wetenschappelijke inzichten met betrekking tot armoedebestrijding nu wel zijn doorgesijpeld naar het beleid. Welaan dan, laat ons even de proef op de som nemen: in hoeverre zijn de maatregelen waarvan uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat ze effectief zijn in het bestrijden van armoede opgenomen in het Vlaamse regeerakkoord?

Wat leert het wetenschappelijk onderzoek?

Armoede is in essentie een probleem van te weinig middelen op het niveau van het gezin. Concreet worden mensen als arm (of beter: levend met een risico op armoede) beschouwd wanneer hun netto besteedbaar gezinsinkomen lager is dan de armoedegrens. Die armoedegrens is relatief en hangt bijgevolg af van het algemeen welvaartsniveau van een land (de grens ligt dus bijvoorbeeld een pak hoger in Luxemburg dan in Roemenië), en weerspiegelt het minimum minimorum. 1 Belangrijk hierbij is de gezinsdimensie: armoede is geen kwestie van weinig verdienen als individu, het is een kwestie van leven in een gezin waar alle inkomens samen (kinderbijslagen, arbeidsinkomens en uitkeringen) niet toereikend zijn en minder zijn dan het bedrag dat de armoedegrens markeert. Kort samengevat: armoede is het uitgesloten zijn van een menswaardig leven door een gebrek aan middelen. Als dergelijke situatie te lang aanhoudt, raak je als vanzelf verstrikt in een web van problemen en uitsluiting waar je zelf niet meer uit kunt klauteren.

Lees verder Een eerste blik op het nieuwe Vlaamse armoedebeleid

Notes:

  1. Deze inkomensgrens correspondeert voor ons land goed met de referentiebudgetten, budgetnormen die gebaseerd zijn op reële korven van goederen en diensten die noodzakelijk worden geacht om menswaardig te leven. Voor België geeft de relatieve ‘armoederisiconorm’ dus een accuraat beeld van welke middelen men nodig heeft om op een menswaardige manier te kunnen deelnemen aan de samenleving.