Vluchtige definities

Wat misschien nog het meest opvalt aan de vluchtelingendiscussie, is dat het niet duidelijk is wat een vluchteling precies is. Dit bleek bijvoorbeeld ook uit de nieuwsberichten over de ‘jungle van Calais’, het ‘vluchtelingenkamp’ dat in oktober 2016 werd ontruimd. Er bestaat veel verwarring in die term, ‘vluchtelingenkamp’. De uit Calais verbannen mensen zijn in beleidstermen namelijk geen vluchtelingen: ze hebben immers (nog) geen asiel verleend gekregen. Zij zouden daarom eerder als ‘illegalen’ of ‘asielzoekers’ gedefinieerd worden. De notie van wat een vluchteling is, is onvoldoende duidelijk in de discussie. In deze bijdrage wordt verder ingegaan op de implicaties daarvan.

Verschillende omschrijvingen

In woordenboeken als Van Dale, Larousse en Oxford Dictionary wordt een vluchteling steevast gedefinieerd als iemand die zijn thuis heeft moeten verlaten. De vlucht vindt plaats om uiteenlopende redenen, variërend van politieke, religieuze en raciale argumenten tot economische en ecologische oorzaken. Deze opvatting over de vluchteling als iemand die gevlucht is, vind je ook vaak terug in de publieke opinie. In de kranten wordt gesproken over de vluchtelingenstroom uit Syrië, evenals de vluchtelingen die verdrinken in de Middellandse Zee. Maar in de politiek, en vooral in het beleid, wordt er een andere invulling aan het begrip gegeven. Een vluchteling is niet simpelweg iemand die gevlucht is, maar iemand die voldoet aan de criteria om ná die vlucht de vluchtelingenstatus te ontvangen in een ander land. Je bent dus pas een vluchteling als je door een overheid erkend bent als zodanig, oftewel als je asiel verleend hebt gekregen. Zo bestaat er een verschil tussen de vluchteling in spraakgebruik en in beleidstermen.

Een vluchtelingenstatus in beleidstermen omhelst enkele rechten, waaronder een tijdelijke verblijfsvergunning en enige overheidshulp om een leven op te bouwen gedurende dit verblijf (onderwijs, werkgelegenheid, huisvesting). De redenen om asiel te verlenen staan vastgelegd in de conventie van Genève van 1951, later aangevuld met de subsidiaire beschermingsstatus. Ze relateren vooral tot het gevaar dat deze mensen lopen in het thuisland omwille van politieke, religieuze en raciale redenen. De consequenties van deze nauwere definitie (een vluchteling is iemand die voldoet aan de criteria voor het verlenen van asiel) is dat zowel de mensen die op de vlucht zijn als de mensen die in het proces van een asielaanvraag zijn, evenals degenen die ongedocumenteerd en degenen die zonder verblijfsvergunning (‘illegaal’) verblijven, door de overheid niet als vluchteling worden gezien. Dit zijn, volgens de overheid, vreemdelingen.

Dit verschil in definities heeft verregaande consequenties. Het betekent bijvoorbeeld dat het recente initiatief van de ‘gastvrije gemeente’ zich alleen op mensen met een asielaanvraag of vluchtelingenstatus richt, aangezien Vluchtelingenwerk de nauwere (door de overheid gesteunde) definitie aanhoudt. Het betekent ook dat de discussie over het niet langer toelaten van ‘economische vluchtelingen’ vanuit ongeldige standpunten vertrekt. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen ‘economische vluchtelingen’ die naar Europa zijn getrokken om te ‘profiteren’ van de welvaartsstaat, in tegenstelling tot de ‘echte vluchtelingen’ die wél bescherming zouden verdienen. Er bestaat echter niet zoiets als een asielstatus verkregen op economische gronden.

Moraliteit

De onduidelijkheid in definities roept allerlei vragen op over moraliteit. Nu kunnen mensen die wél aan de criteria voor asielaanvraag voldoen, die status pas ontvangen na een succesvolle aanvraag. Tijdens de niet-ongevaarlijke vlucht naar Europa genieten zij dus niet van de bescherming van de vluchtelingenstatus.

Het daadwerkelijke humanitaire probleem in Europa ligt dan ook niet zozeer bij de vluchtelingen. De mensen met een vluchtelingenstatus krijgen immers enige vorm van hulp met taalles, onderwijs, werkgelegenheid en huisvesting. De crisis is het grootst ten aanzien van de mensen die deze status niet hebben. Dat zijn de mensen die de grenzen over gesmokkeld worden, of verstopt in een vrachtwagen de Kanaaltunnel proberen over te steken naar Engeland; degenen die geen identiteitsdocumenten hebben en degenen wier verzoek tot verblijfsvergunning is afgewezen (‘illegalen’). Hun mensenrechten worden niet beschermd. Er is geen overheid die voor hen opkomt. Alleen de mensen die er in geslaagd zijn een asielverzoek in te dienen, genieten van enige rechten en privileges gedurende het aanvraagproces. Voor de andere ‘niet-vluchtelingen’ is er nauwelijks tot geen overheidsbescherming. Vanwege de nauwere overheidsdefinitie is er bovendien weinig subsidie beschikbaar voor ngo’s die zich tot deze ‘(nog) niet-vluchtelingen’ richten, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de overheidsbudgetten voor minderhedenbeleid, integratie- en inburgeringsbeleid en vluchtelingenwerk.

De definitiecrisis in het verleden

De paradox in definities en moraliteit kunnen we ook historiseren. Een opvallend voorbeeld is de kwestie van de uit Duitsland gevluchte joden in de jaren ’30 van de vorige eeuw. In onder andere België werden de joodse politieke dissidenten, die vluchtten voor Hitlers regime, wel als vluchteling ontvangen; maar ‘gewone joden’ (oftewel, joden die niet politiek actief waren) werd aanvankelijk geen asiel verleend. Men meende dat zij niet voldoende gevaar liepen om bescherming in een ander land te verdienen (zie bijvoorbeeld Caestecker 2004, p. 99-101). In de vroegmoderne tijd zie je dan weer dat de Nederlandse Republiek aanvankelijk graag de Franse Hugenoten – protestantse Fransen gevlucht voor de vervolging van het Franse katholieke regime – opving omdat zij dezelfde religieuze achtergrond hadden en bovendien veelal tot de gegoede burgerij behoorden, wat economische voordelen met zich meebracht (Cruson 1987; Noordijk 2015). Een vergelijkbaar proces zien we bij de Antwerpse koopmannen die naar Amsterdam vluchtten na de val van Antwerpen in 1585 (Kuijpers 2005, p. 21 & 329). Zij brachten handelsnetwerken met zich mee die in handelsstad Amsterdam enthousiast werden ontvangen. De vluchtelingenstatus is natuurlijk een moderne uitvinding, maar het moge duidelijk zijn dat ook in het verleden de keuze wie wél en wie niét bescherming in de vorm van asiel te verlenen volgens steeds veranderende criteria plaatsvond. De term ‘vluchteling’ is aan interpretatie en verandering onderhevig.

Impliciete ideologie

De geschiedenis leert ons dat er steeds andere invullingen aan het begrip vluchteling worden gegeven en dat de opvattingen over moraliteit doorheen tijd en ruimte verschillen. Per samenleving bepalen andere actoren en factoren wie geacht wordt bescherming in de vorm van verblijf op het grondgebied te verdienen. Dat kan zijn op basis van het economisch nut dat deze mensen meebrengen, een gedeelde vijand, een gedeelde religie; of bijvoorbeeld een verantwoordelijkheidsgevoel omwille de rampen waar de vluchtelingen voor gevlucht zijn, een argument dat we tegenwoordig veel vanuit postkoloniale hoek horen. De gebruikte definitie is dan ook een impliciete uiting van ideologie. Dat maakt dat bewustwording van de verschillende uitleggen van het begrip vluchteling noodzakelijk is voor het voeren van een goed debat. We moeten wel weten waar we over spreken voordat we ergens beslissingen over kunnen nemen.

Het echte mysterie van Jack the Ripper

Je moest het de voorbije dagen weliswaar gaan zoeken in de kleine kolommen, maar niettemin rapporteerden enkele kranten deze week dat eén van de meest bedenkelijke headlines van afgelopen zomer een voorspelbaar staartje krijgt. Die kop dateerde van begin september en vond haar weg van de Engelse tabloids naar onze eigen kwaliteitspers. “Jack the Ripper was een Pools immigrant” zo schreef De Standaard op 7 september.

De Redactie was iets minder zeker van haar stuk, en stelde de titel in vraagvorm: “Was Jack the Ripper een Poolse immigrant met joodse roots?” Ook the Guardian hield nog enigszins een slag om de arm met “Jack the Ripper was Polish immigrant Aaron Kosminski, book claims.” De Morgen liet zich echter net zo min als De Standaard onbetuigd, en kopte stellig “DNA onthult identiteit na 126 jaar.” Dat eerdere berichten als “Seriemoordenaar Jack the Ripper was een vrouw” (DM, 09/05/12) daarmee enigszins aan waarheidsaanspraak moesten inboeten, nam men er op de redactie wellicht voor lief bij.

Het verhaal in kwestie vond haar oorsprong bij zakenman Russel Edwards, die in 2007 op een veiling de sjaal op de kop kon tikken die in 1888 bij het lichaam van Ripper slachtoffer Catherine Eddowes werd gevonden. Edwards zette zich aan de slag, liet de DNA-sporen op de sjaal analyseren door een Finse onderzoeker, en schreef er een boek over, getiteld “Naming Jack the Ripper.” Het sensationele nieuws dat de DNA-analyse van de sjaal onmiskenbaar de Pool Aaron Kosminski als dader aanduide, werd verkocht aan de tabloid The Mail on Sunday en luidde de lancering van het boek spectaculair in. En de internationale media, die kirde lustig mee. Een wereldberoemde historische whodunit die populistische cliché’s bekrachtigt met behulp van de nieuwste wetenschappelijke methodes: wat wil men nog meer?

Dat de bewijslast lekker was dan een vergiet (een sjaal die 120 jaar lang onbeschermd tentoon gesteld werd, lijkt een weinig betrouwbare bron van DNA-stalen) was geen bezwaar. Tot The Independent dit weekend bekend maakte dat een fout in de DNA-analyse zelf de hele interpretatie ondermijnt. Terug naar af dus: de identiteit van Jack the Ripper is helemaal niet bekend – ook al ziet het er niet naar uit dat lezers van De Standaard of De Morgen met een rechtzetting verveeld zullen worden. Wellicht duurt het tot de kwaliteitsmedia volgend jaar uitpakken met het nieuws dat Jack the Ripper weer – ditmaal écht zeker – iemand anders was, vooraleer de arme Kosminski vrijuit gaat.

De buitensporige aandacht waarop het doorzichtige commerciële manoeuvre van Russel Edwards kon rekenen, zegt niet alleen iets over de staat van onze copy-paste media. Het zegt ook wat over onze blik naar het verleden. Het gemak waarmee categorieën als criminaliteit, immigratie en Oost-Europa onderling verbonden worden en een tijdloos karakter toebedeeld krijgen, bijvoorbeeld. Alle superlatieven over de grootsheid van het mysterie ten spijt, werd bitter weinig moeite gedaan om de moorden van Jack the Ripper in hun context te plaatsen, te duiden, of te begrijpen. Over het stedelijk weefsel, de sociale structuur, het denken over seksualiteit en het voorkomen van criminaliteit in Victoriaans London geen woord. Maar een Poolse immigrant, of die nu in de 21ste of in de 19de eeuw leefde, daar kunnen we ons wel wat bij voorstellen. En zo wordt het verleden de spiegel van ons eigen bekrompen denken. Zo kan het ten hoogste cliché’s en vooroordelen weerkaatsen en bij gratie daarvan nog eens extra belichten.

Het echte mysterie van Jack the Ripper is niet de ‘ware identiteit’ van de man die vijf slachtoffers maakte in het Londen van de jaren 1880. Een groter mysterie is het gemak waarmee vooroordelen en wantrouwen op basis van afkomst ook na 120 jaar verkopen als zoete broodjes, en daarbij (onverwachte) bondgenoten vinden bij de autoriteit van moderne wetenschap en de vluchtigheid van onze media.